Mijn ervaring met het lezen van ‘Een liefde van Swann’ (Proust) en met het bespreken ervan in leesgroepen

proust-leesclub

Proust heb ik in de titel tussen haakjes gezet, omdat:
1. de meeste lezers wel weten dat Proust de auteur is van ‘Een liefde van Swann’
2.‘Een liefde van Swann’ het meest populaire deel van ‘Op zoek naar de verloren tijd’ is, maar tegelijk ook het minst typische
a. enige deel dat in derde persoon geschreven is
b. deel dat min of meer een afgerond verhaal vormt
3.‘Proust lezen’ in Vlaanderen veelal geassocieerd wordt met snobisme en je dus maar beter niet te luid zegt dat je Proust, of in dit geval een deeltje van Proust, gelezen hebt.

Enkele leden van mijn leesgroepen stelden voor om ‘Een liefde van Swann’ te lezen, en voor mij was dat de ideale gelegenheid om eindelijk eens Proust (verder) te lezen.

Mijn vader gaf mijn broer en mij ooit de originele Franse versie van ‘Aan de kant van Swann’, bestaande uit ‘Combray’, ‘Een liefde van Swann’ en ‘Plaatsnamen’. Het was te moeilijk. Ik begreep wel dat de verteller in een toestand verkeerde tussen slapen en wakker zijn, en ik bevond me tijdens het lezen in een vergelijkbare sluimertoestand, die van iets begrijpen, maar bij lange nog niet alles, wat eigenlijk geen onaangenaam gevoel was, maar toch: het was te moeilijk. Ik gaf het na 30 bladzijden op. Mijn broer las ook niet verder, om een andere reden. Hij zei dat de verteller na 30 bladzijden nog altijd in zijn bed lag, dat hij wel wat beters te doen had. Ook een reden om af te haken natuurlijk.

Er is vorig jaar een nieuwe vertaling verschenen van Martin De Haan en Rokus Hofstede, onder de naam ‘Swanns kant op’. Naar het schijnt is het een goede vertaling. Het leest alleszins vlot. Zelfs mijn vader, toch wel een man van 93, je zou hem wat leeftijd betreft ouderwets kunnen noemen, vindt de titel ‘Swanns kant op’ al beter vertaald dan ‘De kant van Swann’. Deze uitgave las ik. Beter een goede vertaling dan de helft missen door een gebrekkige kennis van het Frans. Zo legde ik het de leesgroep uit. Een kleine minderheid die beweerde dat je Proust niet kan begrijpen als je hem in vertaling leest.

Van ‘Swanns kant op’ las ik meteen ook het eerste deel, nl. ‘Combray’. Daarna las ik deel 2 ‘Een liefde van Proust’ om mooi de cyclus te volgen en te eindigen met ‘Plaatsnamen.

Hoe ik ontdekte dat de beste plaats om Proust te lezen mijn bed is

Ik begon te lezen, maar het lukte me niet:
1. Op vakantie aan het zwembad. Teveel zon, teveel spetters, … Bovendien voelde ik me daar lichtjes belachelijk met Proust op mijn schoot.
2. Op vakantie in de tuin met zicht op de bergen, en een glas wijn in de hand. Mijn favoriete leeshouding. Het lukte me niet.
Vreemd trouwens dat er geen wijn in ‘Op zoek naar de verloren tijd’ gedronken wordt. Het speelt zich toch af in Frankrijk? De enige dranken die ik in mijn boek tegenkwam waren thee en oranginade, en heel af en toe een likeurtje. Niet echt mijn ding. Nadien zou ik trouwens inzien dat Proust geen alcohol nodig heeft om in een roes te geraken, maar dat een muziekstuk of een schilderwerk voor hem al genoeg is om in hogere sferen te geraken.
3. Terug thuis in mijn luie zetel terwijl man en zoon naar het voetbal keken met bier en chips en hun voeten op de salontafel. Ik begon me aan hen te ergeren. Niet tof.

Uit pure wanhoop ben ik toen in bed gaan lezen, en dat lukte wel!
Proust schreef het grootste gedeelte van zijn romancyclus ook in bed.
In bed, op voorwaarde dat je er alleen in ligt, kan je je helemaal afzonderen van de wereld en je je in eenzelfde soort mijmeringen wentelen als Proust doet. Je bevindt je in een soort tussenwereld.

Meestal wordt bedliteratuur als lichte kost aanzien. Of in het ergste geval als slaapverwekkend. En toch: ik las de ongeveer 400 bladzijden van ‘Aan de kant van Swann’ in een dertigtal voor-ik-ga-slapensessies, in bed dus.

Over het eerste deel ‘Combray’ deed ik veel langer dan over het tweede gedeelte ‘Een liefde van Swann’. Toch geef ik lichtjes de voorkeur aan ‘Combray’.

In ‘Combray’ wordt er veel meer nagedacht en gemijmerd. Het gaat ook trager. Het is in de eerste persoon geschreven en het is inderdaad die verteller die er langer dan 30 bladzijden over doet om helemaal wakker te worden. Dat rekken van de tijd vertraagt ook de lectuur. En brengt je in een mijmertoestand, een soort schemerzone. Het is ook het deel waarin, redelijk in het begin al, de madeleintjespassage voorkomt. De verteller proeft een madeleintje gedoopt in thee en plots wordt een wereld van herinneringen aan hem geopenbaard. Zelfs al waren die madeleintjes vroeger verplichte kost op school, het is toch wel een schitterende passage.

Ik verkoos eigenlijk ‘Combray’ boven ‘Een liefde van Swann’. Dat tweede deel is in de derde persoon geschreven. Een maintenée dringt naar de gunsten van Charles Swann. Als hij uiteindelijk toch (via een prachtige beschrijving van hoe muziek droombeelden kan creëren) verliefd op haar wordt, kan zij met hem doen wat ze wil, gebruikt zij hem en wordt hij groen van jaloezie. Het verhaaltje stelt niets voor, is niet veel meer dan een soap. Maar de stijl, het ontledingsvermogen, de observaties, de humor. Om van te snoepen.

Van wat ik van Proust gelezen heb, is me vooral bijgebleven dat hij

1. met veel humor mensen en situaties kan beschrijven. Aan de ene kant beschrijft hij op een genadeloze manier typetjes. Mme Verdurin uit ‘Een liefde van Swann’ kan je zo vergelijken met Mrs Bucquet . Grandioos. Hilarisch. Er mag bij het lezen van Proust gelachen worden, mensen!
2. met veel zin voor detail kleding, interieurs, … uit het fin de sciecle/belle epoque kan beschrijven,
3. met een heel groot psychologisch inzicht sociale situaties en persoonlijke drama’s kan doorgronden,
4. zichzelf en zijn eigen milieu uiteindelijk relativeert. Ik las, denk ik, nog nooit zoveel synoniemen voor ‘leegte’ en beschrijvingen voor het lege luie leven.
5. dat lege leven toch diepgang geeft door via kunst (muziek, schilderkunst, …) dat leven te overstijgen.
6. dat lege leven ook diepgang geeft door ook de eenvoudige dingen te zien en ervan te genieten. Denk maar aan het madeleintje.

Enkele ervaringen met het bespreken van Proust in leesgroepen:

1. De besprekingen waren levendig. Sommigen waren zo enthousiast, alsof ze een openbaring hadden, leg die maar eens het zwijgen op…. Anderen waren boos op Proust, zijn wereld, zijn lezers. Nog anderen zeiden nauwelijks iets.

2. Velen waren verwonderd: Proust is helemaal niet onleesbaar! Proust is zelfs grappig. Lees de eerste bladzijden van ‘Een liefde van Swann’ waarin de gewoonten van de clan Verdurin beschreven worden. Lees het gewoon en je schiet al in de lach.

3. Sommigen haakten af op zijn lange zinnen. Waarop anderen weer zeiden dat je Latijn moet gestudeerd hebben om die lange zinnen te kunnen waarderen.

Volgens mij moet je om die lange zinnen te begrijpen geen Latijn gestudeerd hebben. Luister naar de mensen in je omgeving die iets proberen uit te leggen… Luister naar om het even welk gesprek. Mensen spreken toch ook niet zin voor zin. Het enige verschil is dat Proust die wirwar van gedachtenkronkels in een juiste grammaticale zin zet. Niet dat ik die zinnen begon te ontleden, het zou mijn leesgenot alleen maar belemmeren. Ik las ze als gedachtenkronkels. En dat ging redelijk vlot.
Iets anders waaraan ik dacht bij de lange zinnen van Proust… Een vlieg. Een vlieg die in oneindig veel cirkels rond zijn doel draait en er dan uiteindelijk recht naartoe vliegt. Pang. To the point.

4. En dan begon de discussie natuurlijk… Wie leest Proust? De latinist? Kortom: de geletterde mens? Of de snob, die wil zeggen dat hij Proust gelezen heeft? Proust leidde tot tweespalt bij de lezers.

En daar tussenin zat ik, de leesgroepbegeleider. Aan de ene kant voelde het alsof ik me moest verontschuldigen voor het feit dat ik het stukje Proust dat ik gelezen heb eigenlijk wel heel mooi vind. Aan de andere kant moest ik me dan weer verontschuldigen omdat ik slechts een stukje Proust en dan nog enkel in vertaling las.

Wat zou Proust daar nu zelf van gevonden hebben? Ik denk dat hij zou zeggen: “Ach”, en dan bladzijden zou uitweiden over letterkundigen, lezers en leesgroepen. En hij zou dat zo goed doen dat dat ene woordje “Ach” met massa’s indrukken en prachtige vergelijkingen verlevendigd en verduidelijkt wordt.

Uiteindelijk was iedereen blij iets van Proust gelezen te hebben. Al was het maar uit zogezegd snobisme, al was het maar om te kunnen zeggen dat het voer voor snobs is, of al was het maar omdat ze echt van zijn wereld (en zijn nevenwereld) genoten hebben.

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online. Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!
Dit bericht is geplaatst in literatuur met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *