Christophe Van Gerrewey (°1982) : 50 essays over alles en voor iedereen

over allesSinds 2000 publiceert Christophe Van Gerrewey, zelf ook auteur, essays in o.a. De Standaard en De Groene Amsterdammer. Niet alleen over literatuur, maar ook over kunst, architectuur, filosofie en politiek. Hier zal ik het alleen over zijn essays over literatuur hebben. Ze nemen het grootste gedeelte van de bundeling in. Bovendien zijn ze heel leesbaar èn leerrijk.

Essays over literatuur

In zijn essays geeft hij eerlijk zijn mening over literatuur en hun bedrijvers. Die eerlijkheid wordt niet door iedereen in dank afgenomen. Zo loopt hij minder hoog op met Vlaamse literaire helden als Griet Op de Beeck, Dimitri Verhulst, en al helemaal niet niet met Marnix Peeters. maar Van Gerrewey staaft zijn mening altijd duidelijk en helder met stellingen uit de literatuurwetenschap, wat voor mij, historica, leerrijk is. Bovendien is hij af en toe behoorlijk humoristisch. Zelfs al trekt hij van leer tegen het relativeren van de kunst die de literatuur toch is, of zou moeten zijn, relativeert hij zichzelf wel. Ik geef twee voorbeelden: zijn ‘lezing voor literatuurstudenten’ en zijn essay over het werk van Griet Op de Beek.

De taak van de literatuur

Zijn ‘lezing voor literatuurstudenten’ begint met een citaat van Octavio Paz, nl “Literatuur begint als iemand zich afvraagt wie in hem spreekt als hij spreekt.” Dit citaat breidt hij uit naar de lezer. Het is goed als de lezer zich de vraag stelt “Wie in hem leest als hij leest”.

Vervolgens legt hij de studenten uit (en tijdens het lezen voelde ik mij weer een leergierige student…) wat volgens hem de taak is van de literatuur. “Een van de eeuwenoude taken van literatuur bestaat erin de wereld na te bootsen op zo’n knappe (esthetische) manier dat de lezer gelooft dat het allemaal uit het leven gegrepen is.” Drie belangrijke woorden komen aan bod: mimese, geloofwaardigheid en identiteit. Die identiteit beschrijft hij als volgt: “Er kan over het verhaal nagedacht worden om problemen te bekijken die in éénieders leven voorkomen, maar die ‘in het echt’ te chaotisch zijn om onderzocht te kunnen worden. Niet alleen de wereld wordt nagebootst, maar ook het menselijk leven en alles wat daarbij komt kijken, en dit kan aanleiding geven tot empathie, sympathie, antipathie, en tot herkenning en identificatie. Lezen is als in een spiegel kijken, maar iemand anders zien/zijn.”

En tot slot zegt hij, in typische Gerrewey-stijl, “Als de schrijver zegt: dit of dat is echt, dit of dat heb ik verzonnen, voor zeventig procent is het in mijn leven gebeurd, voor tien procent in dat van mijn moeder, voor tien procent in dat van mijn buurvrouw, en de resterende tien procent heb ik verzonnen; of nog anders: mijn zoon is gestorven, ik ben een Marokkaan, mijn moeder heeft een alcoholprobleem en ze heeft mij onterfd, mijn lief heeft het op een lopen gezet, vandaar dit boek. Als de schrijver dat doet, dan is de lol er meteen af. Dan vraagt de schrijver zich niet langer af wie hij is als hij schrijft (hij legt getuigenis af van iets dat is gebeurd, dat lucht op, het krijgt aandacht, het is in de mode), en een lezer die verzekerd wordt dat het allemaal echt is, vraagt zich niet meer af wie hij is als hij leest (de lezer neemt kennis van feiten, voelt misschien medelijden).

Van Gerrewey en zijn visie op Griet Op de Beeck

In die optiek is het heel logisch dat Van Gerrewey niet voor de bestsellers van Griet Op de Beeck te vinden is. Wat natuurlijk zijn goed recht is. In zijn essay ‘De naïeve en de sentimentele romanschrijver’ hekelt hij vooral het feit dat “Griet in alles eropuit is om haar personages herkenbaar en alledaags weer te geven. Wat ze daarvoor moet slachtofferen, is de taal. Er staat geen enkele zin in deze roman die niet minstens is besmet door wat waarschijnlijk als een mengeling van spontane denk- en spreektaal wordt gezien.”

Wat heel iets anders is dan de afbreekjournalistiek van J.De Witte in een weekendeditie van De Morgen, die zonder enige zinnige uitleg spreekt over “een schatteneiland voor de vrouw tot middelbare leeftijd”. J.De Witte is een pseudoniem. Sommigen denken dat het een pseudoniem is van Marnix Peeters. Die laatste is trouwens de enige auteur die Van Gerrewey totaal afbreekt. Volgens hem is Marnix’ boek ‘Natte dozen’ slecht geschreven, heeft het een slechte structuur en heeft het inhoudelijk niets te zeggen. Hij onderbouwt zijn mening, alweer, met voldoende argumenten.

Onlangs las ik wat Dirk De Wachter zei over het succes van ‘Vele hemels boven de aarde’ in DS Weekblad (9/5/15). “De zin van het leven verschijnt in de kwetsbaarheid van de ander. De boeken van Griet worden vooral geroemd om hun troostende werking. Griet heeft een prutsboek geschreven, maar ’t is ’t schoonste prutsboek dat ik ooit gelezen heb.” Dirk De Wachter spreekt als psychiater. Hij is mild. Hij begrijpt de kwetsbaarheid van de ander, idem van die van Griet Op de Beeck. Maar hij spreekt niet als literatuurwetenschapper.

Daar waar Dirk De Wachter het vooral over het nut van de literatuur heeft, doet Van Gerrewey er nog een schepje bij, hij heeft het over de taak van de literatuur. Als hij in zijn essay over ‘de naïeve en sentimentele romanschrijver’ Griet Op de Beeck schrijft, legt hij die begrippen ook uit, plaatst ze op de kaart en geeft weer waarom dat meestal geen goede literatuur voortbrengt. Dat hij zich ergert aan haar taalgebruik en de typische modieuze belijdenisliteratuur, is niet meer dan normaal in zijn discours.

Kritisch, in vredesnaam kritisch

Van Gerrewey eist veel van de literatuur, en ook van de lezer. Niet dat zijn essays moeilijk te lezen zijn. Integendeel. Maar hij vraagt de lezer wel expliciet om literatuur wat kritischer te bekijken. Hij had, als dat zou mogen, evengoed de titel ‘Kritisch, in vredesnaam kritisch’ van Robert Hughes kunnen gebruiken. Maar zijn titel ‘Over alles en voor iedereen’ oogt toegankelijker, en dat is zijn werk ook.

Hij geeft de lezer ook veel terug. Goesting om in de literatuur wat hoger te mikken. En tools om je verder in de literatuur te verdiepen. Sinds ik zijn verzameling essays in huis heb, betrap ik me erop dat ik veel van Van Gerrewey geleerd heb. Vaak stel ik me de vraag: “Wie in mij leest, als ik lees” en toets ik wat ik lees af aan de eisen die Van Gerrewey stelt aan goede literatuur.

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online.
Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!

Dit bericht is geplaatst in literatuur met de tags , , , , , , , , , , , , . Bookmark de permalink.