Wieslaw Mysliwski: Over het doppen van bonen (boekbespreking maart 2011)

Biografie en bilbliografie

Wieslaw Mysliwski (°1932) is geboren als boerenzoon in een dorpje nabij Sandomierz in het zuidoosten van Polen. Hij studeerde in Lublin en werkte daana lang bij een uitgeverij. Tijdens het communistische bewind was hij geen dissident.

Tegenwoordig woont hij in een deftige buitenwijk van Warshau, en kan hij zich de eerste tweevoudige winnaar van de prestigieuze Nike-literatuurprijs noemen.

‘Over het doppen van bonen’ is zijn vijfde roman, maar de enige die in het Nederlands vertaald is. Al zijn romans tot nu toe zijn vuistdikke boeken die stevig geworteld zijn in het leven en de cultuur van het Poolse platteland.

Personages (belangrijkste)

Ik = beheerder van een terrein met vakantiehuisje.
Zijn oma en opa, zijn ma en pa, zijn nonkel Jan en zijn twee oudere zussen Leonka en Jagoda
Eerste liefde Barbara (Basia of Basienka)
Getrouwd en gescheiden. Kinderloos.
Vriendin
Meneer Robert (één van de huurders)
Muziekleraar
Priester (lasser)
Magazijnbeheerder
Zus (=hospitaalsoldate)
Toevallige ontmoeting die uitmondt in een cafébezoek
Varken Zuzia
Verkoper hoeden(staats-)winkel
Hospita (weduwe)

Enkele vragen

1. Wat waren je verwachtingen van het boek? (bij bekijken van kaft en titel?)
2. In het Pools kreeg de titel het bijschrift ‘een traktaat’. Waarom zou de auteur dat willen? Waarom wil de uitgever het niet? Wat denk je?
3. Hoe vind je de vorm van het boek? Is dit een monologue interieure? Waarom wel? Waarom niet?
4. Aan wie vertelt de beheerder van het vakantiepark zijn verhaal? Voelde je je bij de jij-vorm aangesproken? Waarom vroeg de man niet naar de identiteit van de mysterieuze bezoeker?
5. In het verhaal wordt veel verteld, en veel verteld over het vertellen zelf… Vertel!
6. De oude man vertelt veel…. Maar geeft hij al zijn geheimen weer? Zijn er zaken die je nog wil weten?
7. De ik-figuur heeft 2 maal gespaard: voor een saxofoon en voor een vilten hoed. Waarom waren deze dingen zo belangrijk voor hem?
8. De ik-figuur heeft oorlogen en revoluties meegemaakt. De auteur ook. Politieke kwesties snijdt hij amper aan. Maar toch sijpelt het ergens door. Waar,
9. In het interview hieronder zegt de schrijver: “Daarnaast ben ik beïnvloed door Ludwig Wittgenstein, de filosoof van het Tractatus logico-philosophicus, die schreef: ‘De grenzen van mijn taal bepalen de grenzen van mijn wereld.’ Alles wat je zegt, is taal. Ons bewustzijn is ook een creatie van de taal. De wereld is wat wordt verteld”. Geef voorbeelden uit de roman.
10. Arje Fortuin geeft zijn zeer lovende recensie in het Nrc Handelsblad de titel ‘En de Ruthka stroomt en stroomt…’ Waarom?
11. Wat houdt de spanning erin? Wat zet je aan tot blijven lezen (of om te blijven luisteren naar die ellenlang monoloog?
12. Een bekende Franse uitdrukking (zou hij ook in het Pools bestaan?) is “”C’est la fin des haricots” . Zou hij ook in het Pools bestaan?
13. Positieve of negatieve levensvisie? Hoe voelde je je bij het lezen van dit boek? En erna?
14. En dan nu: humor! Er zit humor in dit verhaal.

Recensie

‘Ik genoot ervan dagelijks uren in de rij te staan’
Arjan Peters − 13/11/09, 00:00 (volkskrant)
Eindelijk kan Nederland kennis maken met de gelauwerde Poolse schrijver Wieslaw Mysliwski. Zijn grootse roman Over het doppen van bonen is vertaald, en hij staat een interview toe, thuis in Warschau….
Een Olympiër, is Wieslaw Mysliwski (1932) wel genoemd. De schrijver is een fenomeen in Polen. Zijn vijfde roman Over het doppen van bonen won twee jaar geleden de Nike, de belangrijkste literaire prijs in Polen, die werd ingesteld in 1996 – toen won Mysliwski hem ook.
De laatste schrijver uit de negentiende eeuw, is een ander epitheton dat hem is toegedicht, vanwege de brede golfslag van zijn proza. Mysliwski is geboren als boerenzoon in een dorpje nabij Sandomierz in het zuidoosten van Polen. Hij studeerde in Lublin, werkte daarna lang bij een uitgeverij. In zijn boeken wordt uitbundig verteld, door een boerenzoon die naar zijn geboortedorp terugkeert (De naakte tuin, 1967), een oude boer die zijn eigen graf wil bouwen en terugblikt op zijn leven (Steen op steen, 1984), of een man die met zijn twee honden Reks en Laps in een zomerhuisje op het platteland zijn levensverhaal vertelt aan een bezoeker die aanklopte om wat bonen te kopen.
Dat laatste is het succesboek (300.000 exemplaren) dat nu ook in Duitsland, Amerika en Nederland verschijnt, en dat letterlijk vertaald Traktaat over het doppen van bonen heet. Een monoloog van bijna 400 pagina’s, waarin de naamloze ik-figuur zich tegenover de eveneens naamloze bezoeker (die de lezer zou kunnen zijn: ‘Komt u binnen’, staat er op de eerste pagina) ontpopt als een ontroerende verteller, die alledaagse onderwerpen (de cake van oma, de kunst van het dragen van een hoed, de magnetische vlecht van een serveerster, het vervaarlijke gesnurk van een medereiziger in de trein) moeiteloos vervlecht met metafysische overpeinzingen over lot, God en het geloof ‘in een andere wereld’.
Hij heeft veel meegemaakt, de man die in Over het doppen van bonen de tragiek van zijn generatie aanroert, maar alweer: zonder namen of jaartallen te noemen. Als jongen moest de verteller meedoen met het doppen, als iedereen, en luisteren naar de oeverloze verhalen van zijn ongeletterde familie. Later heeft hij toegezien, vanuit een schuilplaats, hoe zijn hele familie in de oorlog werd uitgemoord. Daarna werd hij opgeleid tot elektricien, die hoopte geld te sparen voor een saxofoon, en die heeft geholpen het platteland te bedraden. Tot het lukte, en hij een bestaan op kon bouwen als saxofonist die optrad in hotels en zaaltjes. Nu hij door reuma niet meer kan spelen, schildert hij de naambordjes op de graven over van het plaatsje uit zijn jeugd, waar hij tevens toezicht houdt op vakantiehuisjes.
Minstens zo hartverwarmend als dramatisch, neemt Over het doppen van bonen je op en voert je een verhaal binnen. De kalmte die Mysliwski aan de dag legt doet inderdaad bijna anachronistisch aan. Buiten zijn boeken zou een schrijver zijn mond moeten houden, vindt hij, die literaire avonden dan ook stelselmatig mijdt. Bij uitzondering staat Mysliwski één interview toe, ter gelegenheid van zijn verlate debuut in Nederland.
Staande op het bordes voor zijn huis in een buitenwijk van Warschau wacht hij me op, zijn paraplu vangt het buitje op. Monumentaal hoofd, zwaar bewenkbrauwd, zware stem, sigaret brandend. Mijn tolk Kasia Kolman krijgt een handkus. ‘Komt u vooral binnen’. Bij de koffie met cake wil hij weten wat ik vind van de Nederlandse vertaling, gemaakt door Karol Lesman. Ziet Mysliwski’s taal er ook in het Nederlands simpel uit? ‘Dat moet de eerste indruk van de lezer zijn. Simpel. Van mijn vertalers begrijp ik dat ze dat moeite kost. Sommigen hebben het moeten opgeven. Ze worstelden ermee om de spontane toon vast te houden, ongeacht het onderwerp, ook als er filosofische onderwerpen ter sprake komen.
‘Levende taal, daar gaat het om, en dat is voor mij praten, en niet literatuur. De bron van de taal is praten. Als ik ga schrijven, moet ik iets kunstmatigs creëren. Het Pools dat ik gebruik is een niet-bestaande taal, heeft mijn Duitse vertaalster opgemerkt. Dus vertalers moeten eigenlijk in hun eigen taal ook een apart idioom scheppen, iets tussen gesproken en geschreven taal in.
‘Hoe je schrijft, is wat je schrijft. Ik ben geboren op het platteland. Niemand daar kon schrijven of lezen. Het was een praatcultuur. En dat praten was niet alleen maar communicatie. Als volwassene heb ik me bezig gehouden, als redacteur van het kwartaalblad Region voor volkscultuur, met de eerste teksten van plattelanders, toen ze na de oorlog het schrift leerden. Teksten waardoor je het zogenaamde gewone volk beter leert kennen dan door liedjes en dansjes, de folkloristische relicten die doorgaans met volkscultuur worden geassocieerd. Soms waren het brieven van geëmigreerde plattelanders, gericht aan hun familie. Als je die brieven leest, heb je de indruk bij mensen thuis aan tafel te zitten. Prachtig onconventioneel. Iemand schrijft een brief aan zijn vrouw: ‘Ik hou van jou, ik mis je’. Ineens onderbreekt hij zich, door zich tot zijn broer te wenden, die ook thuis is gebleven: ‘Zeg, wil jij een beetje op mijn vrouw passen, nu ik er niet ben?’
‘Zo’n toon heb ik gezocht, willen bewaren. Daarnaast ben ik beïnvloed door Ludwig Wittgenstein, de filosoof van het Tractatus logico-philosophicus, die schreef: ‘De grenzen van mijn taal bepalen de grenzen van mijn wereld.’ Alles wat je zegt, is taal. Ons bewustzijn is ook een creatie van de taal. De wereld is wat wordt verteld. Zeker, ook vanwege Wittgenstein heb ik ‘Traktaat’ in mijn titel gezet.’
Dat woord is uit de Nederlandse titel weggevallen. Mysliwski: ‘Helaas! Is jullie uitgever Querido bang dat de lezer denkt dat dit een landbouwkundige studie is? De combinatie leek mij humoristisch: ‘Traktaat’, dan verwacht je een verhandeling over moraal of theologie. En dan dat nuchtere ‘Over het doppen van bonen.’ Behalve ironisch is het trouwens ook ernstig bedoeld, want ik vind dat alle gewone handelingen, die we banaliteiten noemen, onderwerp kunnen zijn van een traktaat. Het dagelijks leven. We staan automatisch ’s ochtends op, om zonder nadenken ’s avonds naar bed te gaan. Zulke automatismen zijn voor mij reden om me er in te verdiepen. Als je je bewust wordt van wat we onbewust doen, begint de filosofie.’
Alles wat de verteller zegt, is taal. Alleen hij is aan het woord, hij haalt de verhalen ter plekke te voorschijn, zoals de bonen die onderwijl door hem en zijn bezoeker met hun duimen uit de peulen worden gewipt. Mysliwski: ‘De aangrijpende herinneringen van dat jongetje zijn niet verzonnen. Jaren heb lopen denken hoe ik daar over kon schrijven. Toen dacht ik aan dat ritueel van vroeger: bonen doppen. Iedereen nam daaraan deel: man, vrouw, ouderen, jongeren. Kinderen ook, die werden gedwongen. Ik haatte het. Het doppen van bonen leek mij een voorwendsel.
‘Waarom moeten er zoveel worden gedopt, vroeg ik me af, toch niet om ze allemaal op te eten? Ik vermoedde dat die bonen in zulke grote hoeveelheden werden geplant, alleen maar om elkaar daarna bij het doppen aan tafel te kunnen ontmoeten. Om vrijuit te kunnen vertellen, zonder vaste structuur, en wat je wil: herinneringen, dromen, fantasieën, sprookjes ook over geesten en duivels. Als ik die had gehoord, kon ik niet in slaap komen voordat dat mijn moeder me gerust kwam stellen.
‘Dat praten bij het bonen doppen was het meest vrije, onbegrensde praten dat ik ooit in mijn leven heb gehoord. Zoiets heb ik mijn verteller ook willen laten doen: wat hij maar bedenkt, spreekt hij uit. Hij houdt geen rekening met de tijd, noch met een plot. Het zijn losse verhalen, zoals iemand ze uit zijn mouw schudt. Als je geen rekening houdt met de tijd, en niet concreet naar mensen, jaartallen of plaatsen verwijst, dan kun je misschien de tijd overwinnen. Volgens mij komt die losse structuur overeen met ons geheugen: dat is geen orgaan voor de herinnering, maar een creatief orgaan.
‘Een gebeurtenis van twintig jaar geleden zou ik nu anders vertellen dan toen: het worden twee verschillende gebeurtenissen, twee verhalen. En Polen is een verhaalland. Hier wordt het meest verteld. Verzonnen ook trouwens. Als je geen afstand neemt van wat er allemaal wordt verteld, ben je verloren.’
Tot wie richt de verteller zich? Hij stelt hem vragen, spreekt hem beleefd toe, maar wie die bezoeker is horen we niet. Zijn wij het soms, toehoorders die aan tafel zitten bij de verteller? Is het de dood, gekomen om de oude man op te halen? Mysliwski: ‘Ik weet het ook niet. Als ik het wist, had ik het opgeschreven. Iedere lezer kan weer iets of iemand anders in die bezoeker zien. Als wij praten, dan doen we dat altijd met iemand. Praten we met onszelf, zelfs dan praten we met iemand anders in ons. Zo’n verteller als ik had bedacht, die had een gesprekspartner nodig, om zich uit te kunnen spreken. Misschien is het de dood. Misschien een vreemdeling, die door de verteller is gecreëerd – om maar te kunnen praten.’
Na het oorlogsdrama kon de jongen een tijd lang niet praten, zoals hij de vreemdeling vertelt. Hij moest de woorden terugvinden. Later gaat hij saxofoon spelen, komt er lichtheid in zijn bestaan terug, kan hij ook woorden vinden voor mooie herinneringen. In die zin is Traktaat over het doppen van bonen een pleidooi voor muziek en verbeeldingskracht. Mysliwski: ‘Als ik begin te schrijven, heb ik geen plan. Het zijn de zinnen zelf die andere zinnen oproepen. In dit boek wilde ik een gemiddeld persoon het woord geven, iemand die alles heeft meegemaakt wat de twintigste eeuw voortbracht. Kunst is voor hem een redding geweest, de saxofoon een instrument, een hulpmiddel om hem er boven op te helpen. Een groot muzikant is hij niet geworden, maar binnen zijn capaciteiten heeft hij er veel aan gehad.’
Toch eindigt hij met reumatische vingers, en na zijn scheiding ook zonder partner, alleen in dat vakantiehuisje, bij de graven van zijn familieleden. Wij kunnen dan denken dat hij gered is, maar hij zelf misschien niet. ‘De redding was tijdelijk, ja. De zin van het leven is nu voorbij, voor hem. De muziek is verklonken. Net als voor iedereen van ons: als je de zin van je leven verliest, dan is het graf het enige dat overblijft.’
Hoewel hij prachtige verhalen heeft overgehouden, met komische uitweidingen en passages, zoals het knorrige antwoord dat vader geeft wanneer zijn zoon een betoverende prentbriefkaart wil kopen: ‘We hebben niemand om zo’n kaart aan op te sturen. Iedereen woont dichtbij.’ Zelf lacht de verteller daar niet om.
Heeft de schrijver moeten lachen toen hij dit schreef? Ik namelijk wel. ‘Nee.’ En nu lacht Mysliwski bassend. ‘Maar ik wist dat het grappig is. Het is dus zeer terecht, dat u heeft gelachen. Humor houdt zich overal op, ook in de buurt van tragische omstandigheden. De verteller hoeft dat niet in de gaten te hebben. De humor wordt door de lezer vastgesteld. Mijn vrouw zegt altijd: ‘in gezelschappen luister jij nooit naar wat er wordt verteld.’ Dat is waar. Ik weet meestal al wat ze gaan zeggen. Iedereen vertelt hetzelfde verhaal.
‘Maar ik luister naar hóe ze vertellen. Fascinerend! Ieder mens vertelt anders. Tijdens de staat van beleg in Polen stonden er in de winkels hier enorme rijen. Ik kan u verzekeren: ik ben een van de weinigen geweest die ervan heeft genoten in de rij te staan. Een scala aan vertelmogelijkheden deed ik daar op. We spreken één taal, maar iedereen heeft zijn eigen taal: intonatie, zinsbouw, woordgebruik, woordenschat, verschillende emoties.
‘Als ik daar naar luister, gaat voor mij de wereld open. Dat is iets anders dan dat mobiele bellen, dat nu overal plaatsvindt – op straat, in de bus. Dat is praten zonder te letten op je omgeving. Bij het bonen doppen kon je jezelf ineen verhaal uitdrukken, zo kwam je juist met anderen in contact; maar dat rusteloze mobiele geklets ontbeert stijl en vorm.
‘Vroeger dacht ik één boek te moeten schrijven, waar alles in staat, en dan doodgaan. Dat is allebei niet gebeurd. Maar na elk boek begin ik opnieuw, en denk steeds: ik kan het niet. Het gevoel dat ik niet eens weet wat de eerste zin moet zijn – die radeloosheid is opwekkend, en dwingt mij te werken. Ja, ik ben toch weer bezig. Veel kan ik er niet over zeggen. Maar ik zal u de eerste zin onthullen: ‘Ik ben natuurlijk begonnen met de letter A.’
‘Simpeler kan niet. Moeilijker ook niet. Waar voert dit heen, denk ik dan. Dat moet ik te weten komen.’

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online.
Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!

Dit bericht is geplaatst in Bibliotheken met de tags , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *