Virginia Woolf: Mrs. Dalloway (boekbespreking november 2012)

Biografie:
Virginia Woolf (°Londen, 1882) is het derde kind van Leslie Stephen en Julia Duckworth. Haar zus Vanessa, 3 jaar ouder, is kunstenares. Er zijn nog verschillende portretten van Virginia van haar hand(zie boven) bewaard(1).Haar broer Thoby is de tweede. Hij sterft echter op zijn 26ste aan een tyfus die hij op een reis in Griekenland opliep. Adrian is de jongste.

Als Virginia 13 is, sterft de moeder. Vanessa moet thuis verschillende ‘moedertaken’ op zich nemen. Te veel, vindt ze, en er komen ruzies van. Verscheurd tussen de loyaliteit voor haar vader en de liefde voor haar zus, krijgt Virginia haar eerste ‘inzinking’.
In 1904 sterft de vader. Broers en zussen gaan bij Thoby wonen, die aan het Trinity College studeert. Daar komen ze, ook de 2 zussen, in aanraking met de Bloomsbury Groep (2), die op donderdagavond samenkomt. Leonard Woolf, ook een lid van die groep, schrijft over hen: “Vanessa en Virginia zeiden ook niet veel en hadden op iedere oppervlakkige toeschouwer een terughoudende, preutse indruk kunnen maken. Maar iemand die veel verschillende paarden heeft bereden is in staat het paard te herkennen dat er, wanneer je het voor de eerste keer benadert, oppervlakkig gezien bijzonder rustig en kalm uitziet, maar bij wie je –wanneer je, na een paar bittere ervaringen wijs geworden, weet dat je een vreemd paard beter eerst eens even goed kunt bekijken – achter de ogen een blik ziet die je waarschuwt heel, heel voorzichtig te zijn. En zo zou een goed waarnemer ook in de ogen van de gezusters Stephen een blik ontdekt hebben die hem waarschuwde voorzichtig te zijn, een blik die in tegenspraak was met hun terughoudendheid, een blik die getuigde van grote intelligentie, die zeer kritisch, sarcastisch en satirisch was.”
Virginia en Leonard trouwen in 1912. Ze stimuleren elkaar geestelijk. Virginia geeft verschillende boeken uit en kent succes. Ze schrijft ook recensies en essays voor The Times Literary Supplement en de New Statesman. In 1917 koopt het koppel een een met de hand te bedienen drukpers en beginnen met de Hogarth Press. Ze geven onder andere Waste Land van Eliot en de verhalen van Katherine Mansfield uit. Ze brengen ook vertalingen uit, zoals Rilke en Svevo.
Maar er is een keerzijde. Virginia heeft last van depressies, vooral na het schrijven van een meesterwerk. Bovendien is het huwelijk op seksueel vlak geen succes. Virginia noemt zichzelf in haar dagboeken soms asexueel. Andere keren beschrijft ze dan weer haar verliefdheden op vrouwen, zoals als jong meisje op haar nichtje Madge Vaughan, tijdens haar eerste inzinking op haar vriendin Violet Dickinson (die haar bijstond) en later op Vita Sackville-West (1), die ze 1922 ontmoet.
In 1941 wordt Virginia’s geestestoestand weer slechter. Angstig voor een periode van ‘krankzinnigheid’, pleegt ze op 28 maart zelfmoord. Ze laadt haar zakken vol met stenen en loopt de rivier de Ouse in.

Bibliografie: (niet volledig!)
Romans:
1915: The Voyage out;1919: Nights and Day; 1922: Jacob’s Room; 1925: Mrs. Dalloway; 1927: to the Lighthouse; 1928: Orlando: a Biography; 1931: The Waves; 1937: The Years; 1942: Between the Acts.
Essays:
1925: The Common Reader; 1929: A room of One’s Own; 1932: The Common Reader, Second Series (1932).

Personages:
Clarissa X Richard Dalloway: dochter Elizabeth
Septimus Warren Smith X Lucrezia Smith
Millicent Bruton
Sally Seaton
Hugh Whitbread x Evelyn
Peter Walsh
Dr. Holmes en Dr. William Bradshaw
Miss Killman

Enkele fragmenten uit de dagboeken van Virginia Woolf over het schrijven van Mrs. Dallowy:

15 april 1920:
Deels schiet mensen het ‘goed schrijven’ in het verkeerde keelgat en dat is neem ik aan altijd zo geweest, men doet het af met ‘pretentieus’; en dan nog wel een vrouw die goed schrijft en tot overmaat van ramp in The Times…

25 oktober 1920:
Hier zit ik dan, in Richmond, en als een lantaren die midden in een weiland is geplaatst wordt mijn licht door het duister verzwolgen. Zwaarmoedigheid neemt af als ik schrijf. Waarom schrijf ik dan niet vaker van me af? Dat verbiedt de ijdelheid nu eenmaal. Zelfs voor me zelf wil ik geslaagd zijn. Toch raak ik hiermee niet de kern. Waar het hem in zit is dat ik geen kinderen heb, ver weg woon van vrienden, niet bij macht ben behoorlijk te schrijven, te veel tijd verdoe met eten en oud worden. Ik houd me te veel bezig met het waarom en waarvoor; te veel met me zelf. Ik hou er niet van om ruim in mijn tijd te zitten. Ga dan aan het werk. Allemaal goed en wel, maar ik ben het werken snel beu – meer dan een stukje lezen, breng ik niet op, na een uur aan één stuk schrijven is voor mij de maat al vol.

29 april 1921:
“Hoe staat het met jouw roman?”
“Oh, ik steek mijn hand in de grabbelton en rommel maar wat.”
“Dat maakt het juist zo prachtig. En het is volkomen anders dan wat ik doe.”
“ja, ik ben twintig mensen;”
“Maar je beziet alles van buitenaf…”

16 augustus 1922:
… Nu breek ik dat af, in overeenstemming met mijn theorie over de heilzaamheid van snelle wisselingen, om aan Mrs. D. te schrijven (die overigens een hele zwik andere mensen in haar zog meevoert, begin ik te merken).

19 juni 1923:
… Maar hoe sta ik nu tegenover mijn eigen werk?- tegenover het boek dat ik nu onder handen heb, The Hours, als het tenminste zo gaat heten? Men moet uit het diepst van zijn gevoel schrijven, zegt Dostojevski. Doe ik dat ook? Of knutsel ik maar wat met woorden, omdat ik daar zo’n zwak voor heb? Nee, ik geloof van niet. Voor dit boek heb ik juist bijna te veel ideeën. Ik wil het erin hebben over leven en dood, over normaal en krankzinnig, ik wil het maatschappelijk bestel aan de kaak stellen en laten zien hoe het werkt, zo indringend mogelijk. (nvdr: Mrs Dalloway zou oorspronkelijk The Hours heten)

15 augustus 1924:
… Want ik voorzie dat Mrs. Dalloway langer gaat duren dan oktober. In mijn voorspellingen vergeet ik altijd een paar belangrijke scènes die er onvoorwaardelijk tussen moeten: ik denk steeds dat ik linea recta kan doorschrijven naar het feest en er dan een punt achter kan zetten; waarbij ik Septimus over het hoofd zie, wat nog een inspannende en penibele zaak wordt en voorbij ga aan Peter Walsh die aan tafel zit te eten, wat misschien ook niet van een leien dakje zal gaan. Maar ik vind het prettig om van de ene verlichte kamer naar de andere te lopen, zo zie ik mijn geest tenminste; verlichte kamers; en de wandelingen over de velden zijn de gangen ertussen; en nu vandaag lig ik te peinzen.

7 september 1924:
… Zo ver ben ik dan eindelijk –bij het feest, dat in het souterrain moet beginnen en langzaam via de trap opklimt naar de salon. Het wordt een uiterst complexe, doorwrochte climax, waarin alles met elkaar wordt verweven en die eindigt op drie niveau’s, in verschillende stadia van het bestijgen van de trap, waarin tot slot steeds iets over Clarissa wordt gezegd. Wie moet die dingen zeggen? Peter, Richard en Sally Seton misschien; maar ik leg me wat dat betreft nog niet vast. Ik geloof wel dat als het allemaal lukken wil, dit mijn tot dusver beste slot kan worden. Maar ik moet de eerste hoofdstukken nog doornemen en bekennen dat ik vrees met de krankzinnigheid over de schreef te zijn gegaan; waardoor alles te hoogdravend wordt. Ik weet zeker dat ik nu met mijn houweel mijn onderaardse ader moet bewerken, al was het alleen maar omdat dan, zoals nu, de metaforen vrij komen. Stel dat je de kenmerken van een ruwe schets in een voltooid en uitgewerkt boek zou kunnen behouden? Daar streef ik naar. Hoe dan ook, geen mens kan me nu nog helpen of een strobreed in de weg liggen.

18 november 1924:
Wat ik wilde zeggen was dat ik geloof dat schrijven iets formeels moet zijn. Je moet niet uit het oog verliezen dat het een kunstvorm is. Dat is me nog eens opgevallen toen ik enkele notities uit dit boek herlas, want al je je geest de vrije loop laat wordt je egotistisch (3); persoonlijk, en dat verafschuw ik. Toch moet tegelijkertijd het onberekenbare vuur wel aanwezig zijn; en om dat de ruimte te geven moet je uitgaan van de chaos, zonder dat wat je aan de openbaarheid prijsgeeft warhoofdig is. Momenteel werk ik me door de krankzinnige hoofdstukken van Mrs. D. Ik vraag me af of het boek niet beter zou zijn geworden als ik ze achterwege had gelaten. Maar dat is een gedachte die pas achteraf bij me opkomt en waarvan ik inmiddels weet wat ik ermee aan moet.

15 mei 1925:
Twee negatieve recensies op Mrs. D. (Western Mail en Scotsman): onleesbaar, geen kunst enz. en ook een brief van een jongeman uit Earls Court. “Dit keer heeft u het geklaard –u heeft het leven gevangen en in een boek gestopt…”

Enkele discussiepunten:

1.Laten we de eerste paragraaf nemen. “Want Lucy had haar handen vol. De deuren zouden uit hun hengsels gelicht worden; de mannen van Rumpelmayer kwamen. En bovendien, dacht Clarissa Dalloway, wat een morgen – ppur alsof hij aan kinderen op een strand was geschonken.”
*Stream of consciousness (Engels voor ‘stroom van bewustzijn’) is een verhaaltechniek die toegepast wordt bij fictie met de bedoeling een veelvoud aan indrukken weer te geven die zich aan het bewustzijn van een individu spontaan opdringen.
*Beeldspraak
2.En nu de tweede paragraaf. In welke tijd speelt dit zich af? Over wie gaat het? Wat leer je over de personages?
3.Beschrijf Mrs. Dalloway. Hoe ziet zij het leven?
4.In het boek zijn er twee verhaallijnen. Welke? Welke parallellen zie je in het boek?
5.De stream of consciousness maakt het boek moeilijk. Maar ook rijker. Of niet?
6.Virginia Woolf had eerst ‘The hours’ als titel voor het boek in gedachten. Waarom? (Cfr boek Cunningham!)
7.Wat tijdsduur en setting betreft is het boek gemakkelijk. Beschrijf.
8.Slechts één keer wijkt Virginia Woolf van haar verteltechniek af. Wanneer? Waarom? (beschrijving dokter Bradshaw en zijn gevoel voor proportie)
9.Welke thema’s komen in het boek voor?
10.Welke beelden gebruikt ze vaak?
11.In een essay ‘Modern fiction’ (1919) schrijft Virginia Woolf wat zij van literatuur verwacht:
Kijk eens naar binnen en dan blijkt dat het leven helmaal niet zo is. Bekijk eens een keer een gewone geest op een gewone dag. Op de geest komen duizenden indrukken af –sommige triviaal, fantastisch of snel voorbijgaand, andere zo scherp als staal. Zij komen van alle kanten, als een voortdurende vloed ontelbare atomen; en wanneer zij neerkomen, wanneer zij zich vormen tot het leven van maandag of dinsdag, zorgen zij voor andere, nieuwe accenten; het moment van betekenis ligt niet hier, maar werd daar bepaald; zodat er, wanneer een schrijver een vrij mens en geen slaaf zou zijn, wanneer hij kon schrijven wat hij wilde, en niet wat er van hem werd verwacht, wanneer hij zijn werk op zijn eigen gevoel en niet op conventies zou baseren, als er geen plot, geen komedie, geen tragedie zouden zijn… geen liefde of catastrofe in de algemeen aanvaarde zin – en er zou wellicht geen enkele knoop aan een kledingstuk genaaid worden volgens de regels van de kleermakers van Bond Street. Het leven is geen serie symmetrisch aangebrachte rijtuiglantaren: het leven is een lichtgevende krans, een semitransparant omhulsel dat ons vanaf het begin van onze bewustwording tot het einde toe omgeeft. Is het niet de taak van de romanschrijver om deze wisselende, deze onbekende en niet omschreven geest weer te geven, ongeacht welke afwijking of eigenaardigheid daar ook uit voortvloeit, en die zo weinig mogelijk met het vreemde en externe te vermengen.” Heeft zij in Mrs. Dalloway bereikt wat ze wil? Geef voorbeelden.

Een recensie: 27 april 2012 in De Standaard door Alexandra De Vos:

Virginia Woolf was de moderniste bij uitstek. Maar ze koesterde ook haar leven lang haar victoriaanse ‘theetafelmanieren’. Die eigenschappen leidden tot een meesterwerk: Mrs. Dalloway.
‘De meest exquise bloem die het Engels estheticisme heeft voortgebracht’, zo roemde de Dictionary of National Biography van 1941 haar, om vervolgens te zwijmelen bij de ‘glanzende gelukzaligheden van haar stijl’. Was de Tweede Wereldoorlog niet aan de gang, dan zou je denken dat het nog altijd 1890 was – en dat Virginia Woolf uit een prerafaëlitisch schilderij kon komen gestapt, als jonkvrouw met zwanenhals en een lelie in haar hand.

Een paar decennia later denkt de wereld heel anders over Woolf. Ze wordt dan de moderniste bij uitstek, het genie dat samen met Joyce en zijn Ulysses de stream of consciousness uitvond en het romangenre herdefinieerde. Haar essay A room of one’s own gaf het feminisme vleugels. Ze was lid van de Bloomsburygroep, een generatie die begin twintigste eeuw vers van Cambridge kwam en alles anders deed. Witgekalkte muren en vrolijk gepimpte meubels, Cézanne en de vrije(re) liefde, dat was hun ding.

En toch: die jongens van de dictionary waren niet helemaal fout. Woolfs stijl wàs exquis en bloemrijk. Hoe radicaal ze ook experimenteerde met de vorm en inhoud van haar romans, haar taal weefde een web van schoonheid. Geen obsceen woord, geen seksuele innuendo zou de harmonie verstoren. Virginia weet dat aan de victoriaanse ‘theetafelmanieren’ waarin ze getraind was. Mensen behagen, je elegant door de beau monde bewegen, dansen en converseren met de gedecoreerden van het Empire – ze had er levenslang respect voor. Toch was ze als debutante grandioos door de mand gevallen. In haar dagboek schrijft de jonge Virginia over zichzelf en zus Vanessa: ‘De waarheid is dat we mislukt zijn. Echt, wij kunnen niet schitteren in de society. Ik weet niet hoe je het doet. We zijn niet populair – we zitten in een hoek, als doofstommen die liever op een begrafenis zouden zijn. Maar er zijn belangrijker dingen in het leven.’

Heerseres over zilver en porselein

Die dingen dienden zich aan in de vorm van kunst, literatuur en – na de dood van haar vader – het samenleven met een groep gelijkgestemden op een adres in Bloomsbury. Niemand eiste dat ze zou walsen, de juiste avondjurk dragen of babbelen zonder iets te zeggen, allemaal vereisten voor een jongedame van stand. Daarbovenop leed ze aan zenuwinzinkingen die al dat frivole gedoe in perspectief plaatsten.

Maar Virginia’s theetafeltraining liet haar niet los. Toen ze begin jaren 20 een visioen had van een nieuwe romanvorm – gebaseerd op losse associatie, wandelend van de gedachtestroom van het ene personage naar het andere – bleef ze hangen bij het idee van de perfecte gastvrouw.

Daar kwam Mrs. Dalloway de gelijknamige roman binnengestapt, op een hemelsblauwe morgen in juni. De Grote Oorlog is voorbij en Londen leeft op. Butlers, dames met chowchows, rennen op Ascot en cricketmatches: ‘Als de polsslag van een volmaakt hart sloeg het leven regelrecht door de straten.’ Clarissa, vrouw van de conservatieve politicus Richard, ‘heerseres over het zilver en het porselein’, gaat de stad in om bloemen te kopen voor het feest dat zij ’s avonds zal geven.

Ze verwacht er niet alleen notabelen, maar ook haar jeugdvrienden Peter Walsh en Sally Seton. Met de kritische, op drift geraakte koloniaal Peter was ze bijna getrouwd, op Sally was ze verliefd. Gastvrouw spelen zal een moeilijke evenwichtsoefening worden, want ondanks haar savoir faire voelt Clarissa de jaren wegen. Met haar rondingen smelt ook haar identiteit weg, ‘alsof zijzelf onzichtbaar was; ongezien; onbekend… alleen dit vreemde en tamelijk plechtige voortschrijden met de rest van hen, door Bond Street, dit Mrs. Dalloway zijn; niet eens meer Clarissa, dit Mrs. Dalloway zijn.’

Partycrasher

In diezelfde zomerse straten loopt een nog veel verlorener ziel, een ‘laatste overblijfsel dat doolde aan de rand van de wereld’. Het is Septimus Warren Smith, die zijn identiteit weggeblazen zag door de oorlog. Shellshock is meedogenlozer dan een midlifecrisis in een avondjurk. Terwijl Clarissa onderduikt in de eb en vloed van Londen en ondanks alles geniet – van omnibussen, draaiorgels, zingende fonteinen – voelt Septimus niets. Hij voelde niets toen zijn hartsvriend sneuvelde, niets toen hij zijn vrouw ten huwelijk vroeg. Die vervreemding is ‘de zonde waarvoor de menselijke natuur hem ter dood veroordeeld had’. In zijn laatste uren zal Septimus het pad van Clarissa’s gasten kruisen, om ten slotte op een ongewilde manier haar party te crashen.

Dan slaat Big Ben middernacht, ‘alsof een jongeman, sterk, onverschillig, meedogenloos, met halters zwaaide.’ Samen met deze zomerdag houdt ook de roman het voor gezien. En zien doet Mrs. Dalloway, voorbij de dagelijkse feiten en de tirannie van het uurwerk, voorbij de plot of het gebrek daaraan. Want er is een werkelijkheid die zich dieper dan het oppervlak vertakt, waar heden en verleden in elkaar grijpen, waar elke ziel zijn eigen tijdzone bewoont.

Woolfs gouden taal weeft alles aan en door elkaar: Clarissa en haar veilige leven, Peter en Sally en een verloren jeugd, Septimus en de stad. Schoonheid en horror, het tafelzilver en het duister daaronder, in naadloze en veelstemmige bladzijden. Virginia schreef ze in momenten van verhoogd bewustzijn – haar ‘moments of being’ – waarin ze het patroon achter het alledaagse kon zien. Of zoals ze geloofde: ‘De wereld is een kunstwerk en wij – alle mensen – maken er deel van uit. Hamlet of een Beethovenkwartet spreken de waarheid. Maar er bestaat geen Shakespeare, er bestaat geen Beethoven, en al zeker geen God. Wìj zijn de woorden; wìj zijn de muziek’. Wij zijn, kortom, ook ‘Mrs. Dalloway’. En dat is een exquise eer.

Voetnoten:
(1) nog veel werken kan men bewonderen in Sissinghurst Castle (zo’n 40 km van Canterburry. Virginia’s vriendin Vita Sackville-West en haar man Harold Nicolson kochten het toen vervallen kasteel in 1930 en restaureerden het. Ze creëerden er ook fantastisch mooie tuinen bij. Het geheel is een geliefd trekpleister voor toeristen.
(2) De Bloomsburygroep is de aanduiding voor een groep schrijvers, kunstenaars en intellectuelen die aan het begin van de 20e eeuw ontstond in de Londense wijk Bloomsbury, nav de zgn donderdagavondbijeenkomsten. Kenmerkend was hun verzet tegen de Victoriaanse restrictieve ideeën in kunst, seksualiteit en samenleving. Ze hielden er zelf een onconventionele levensstijl op na. De groep is pas later zo genoemd en heeft een tot in de 21e eeuw reikende invloed gehad op de smaak en het levensbesef van moderne mensen in de westerse wereld.
(3) egotisme: zichzelf als middelpunt van de wereld beschouwen, graag over zichzelf spreken, eigendunk

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online.
Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!

Dit bericht is geplaatst in Bibliotheken met de tags , , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *