Stefan Brijs: De engelenmaker (boekbespreking mei 2007)

engelenmaker 1engelenmaker 2Biografie (tot 2007!):
Stefan Brijs werd geboren op 29 december 1969 in Genk, waar hij ook jarenlang woonde en naar school ging. Zijn vader was arbeider en zijn moeder huisvrouw. In 1990 studeerde hij al als onderwijzer en begon als opvoeder aan zijn vroegere middelbare school te werken. Van 1994 tot 1997 woonde hij in Zonhoven, daarna vestigde hij zich opnieuw in Genk. Sinds 1999 schrijft Stefan Brijs voltijds – hij had op dat ogenblik drie boeken gepubliceerd en verscheidene essays en recensies geschreven voor de boekenbijlagen van De Morgen en De Standaard. Begin 2003 verruilde hij Genk voor Koningshooikt, een deelgemeente van Lier, op het platteland “met ezels op het land en onder sterke controle van de buren.”
Stefan Brijs is gescheiden en heeft geen kinderen.

Bibliografie (tot 2007!):
1997: De verwording, uitg. Atlas
1998: Kruistochten, uitg. Atlas
2000: Arend, uitg. Atlas (2de druk in pocket)
2001: Twee levens
2001: Villa Keetje Tippel
2003: De Vergeethoek
2005: De Engelenmaker
-wordt verfilmd door de Vlaamse regisseur Rudi Van Den Bossche in samenwerking met de producent Antonio Lombardo, met wie hij eerder onder andere de film Olivetti 82 maakte.
-bekroond met De Gouden Uil van de Lezer 2006-09-22
-genomineerd voor de shcortlist van de Libris-literatuurprijs 2006
2006: Korrels in Gods grote zandbak: essaybundel over de schrijvers van Turnhout

Personages:

Victor Hoppe, zoon van Karl Hoppe
De drieling Michael, Gabriel en Rafael
Jonge novice Marthe
Charlotte Maenhout
Zuster Milgitha
Rex Cremer
De dove Gunther Weber en zijn ouders Othar en Eva
De draagmoeder van de drieling

Situering in tijd en ruimte:

De roman is heel goed in de tijd en het decor af te zetten, omdat Brijs veel data van de gebeurtenissen vermeldt. Victor Hoppe wordt geboren op 4 juni 1945 en hij sterft op zondag 21 mei 1989. Deel I speelt van 14 oktober 1984 tot ruim vier jaar later. Deel II behandelt de geboorte van Victor Hoppe tot aan de tijd van zijn experimenten met zijn drie gekloonde zoons in de zomer van 1984. Deel III behandelt dan weer de periode van 1988 tot 21 mei 1989. Het twaalfde hoofdstuk is een soort epiloog, en deze speelt zich af op zaterdag 19 mei 1990.

Het decor is een Duitstalig Belgisch dorpje Wolfheim (Naam is fictief en symbolisch- de thuisplaats van de wolf – vgl. het klassieke gezegde “homo homini lupus” oftewel: de mens is voor de mens een wolf.) in de buurt van het drielandenpunt bij Vaals. Het enigszins ouderwets aandoende, typisch katholieke dorp met zijn bewoners als in een streekroman vormt de bizarre achtergrond tegenover de wetenschappelijke experimenten van dokter Hoppe. In deel II speelt een gedeelte van de experimenten zich ook af aan de universiteit van Aken. De tweede lijn van deel II speelt zich af in de omgeving van het geboortedorp van Victor Hoppe: het gesticht staat immers in La Chapelle.

Enkele kritieken:

Herman Brusselmans in Alles uit de kast van 12 september 2006: “Veel metier, maar gortdroog en een ongeloofwaardig einde”.

‘Van bij de eerste bladzijden alludeert Brijs op de traditie van de realistische dorpsvertelling en op de thema’s die onvervreemdbaar met dat genre zijn verbonden: roddel en bijgeloof, godsdienstwaanzin, angst voor het vreemde, erfelijke belasting, maar ook geborgenheid en verbondenheid. Achter de schermen van die realistisch verteltrant wordt echter op uiterst scherpe wijze het menselijke brein ontleed en wordt aangetoond hoe geloof en rationalisme kunnen samensmelten tot de meest waanzinnige en irreele wangestalten. (…) De engelenmaker is een complex boek waarin niets is zoals het lijkt. (…) Brijs heeft met dit boek zijn plaats onder de beloftevolle jonge Vlaamse romanciers definitief verdiend.’
Aldus Pieter Verstraeten in De Tijd, 12-11-2005

‘Een waardeloos boek’, De Morgen
‘Als je op pagina 420 aan het einde van Brijs’ krachttoer bent beland, realiseer je pas goed hoe veel deze roman overhoop heeft gehaald. Victor Hoppe blijkt niet zozeer een onderzoeker te zijn, maar vooral een proefpersoon in de grootse literaire proefopstelling van Brijs. (…) Je eindigt met een gevoel van diepe sympathie voor een man die je menselijkerwijs zou moeten classificeren als een gevaarlijke gek. (…) Uiteindelijk komt het geloof uit de hoek waar hij het het minst verwachtte, van de goeddeels irrationele en wispelturige dorpsgemeenschap. Die sluit de man die enkele jaren eerder nog voor de duivel werd gehouden, met liefde in de armen. Dat die dorpelingen dat op volslagen verkeerde gronden doen, dient alleen nog maar om de rijkdom van Brijs’ geweldige roman te benadrukken.’ (Arjen Fortuin, NRC-handelsblad 28 oktober 2005)

Artikel uit Elsevier 23 december 2005 over kloononderzoek:

De Zuid-Koreaanse wetenschapper Hwang Woo-Suk, die in zijn eigen land als nationale held wordt beschouwd, heeft zijn meest bekende onderzoek vervalst.
Hij heeft zich niet vergist, oordeelt een commissie van zijn eigen universiteit in Seoul, hij heeft grote delen van zijn onderzoek uit zijn duim gezogen.
Hwang Woo-Suk moet diep door het stof. De geruchten over vervalsing deden al langer de ronde, maar hij bleef ontkennen. Hij sprak van vergissingen, maar hij heeft nu officieel zijn excuses aan moeten bieden. En hij heeft ontslag genomen als professor aan de universiteit van Seoul.
In mei publiceerde de ‘kloonpionier’ in het tijdschrift Science een baanbrekend onderzoek. Hwang beschrijft hoe hij als eerste ter wereld menselijke embryo’s kloonde om daar vervolgens stamcellen aan te onttrekken die kunnen worden gebruikt voor het behandelen van ongeneeslijke ziekten.
Valse hoop voor al die mensen die lijden aan bijvoorbeeld suikerziekte of Parkinson, blijkt nu. De collega’s die met de Koreaan hadden samengewerkt hadden zich na twijfel al van het onderzoek afgekeerd.
De afgang van nationale held Hwang is groot nieuws in Zuid-Korea. De presentatie van het rapport van de universiteitscommissie was live op televisie te volgen.
Maar de vervalsing komt ook hard aan in de wetenschappelijke wereld. Hwang Woo-Suk stond bekend als een van de belangrijkste onderzoekers op het gebied van klonen, en er worden nu ook vraagtekens gezet bij zijn eerdere werk.

Interview met Stefan Brijs (Dirk Leyman, De Morgen, 3 mei 2006):

‘Vlaanderen heeft geen oog voor eigen talent’
Een dorps- annex kloonroman over de autistische embryoloog Victor Hoppe. Wanneer deze na twintig jaar terugkeert naar zijn geboortedorp met de drieling Rafaël, Michaël en Gabriël, één voor één begiftigd met een schrikwekkende afwijking, gaat de geruchtenmolen aan het draaien. De engelenmaker is een pageturner met een onthutsende finale.
‘Hoor”, zegt Stefan Brijs, “dat is de lokroep van de torenvalk die aan het broeden is.” Met de flair van een herenboer maakt de schrijver me attent op de geneugten van het buitenleven. Brijs’ twee lobbesen van honden, Mira en Blue, zijn door het dolle heen. “Ze zijn vooral verzot op gebonden boeken”, waarschuwt de auteur, “laatst heeft Mira met veel smaak Kraai van Bavo Claes opgepeuzeld.” In de “Kop van Jut”, zoals hij zijn territorium dwarsig heeft gedoopt, vindt Brijs rust en inspiratie. “Als je vastzit in een passage, is er niets beters dan het gras maaien of wat in de aarde schoffelen”, verzekert de schepper van De engelenmaker.
Dankzij De engelenmaker bent u – vooral in Nederland – gepromoveerd tot aanjager van een generatie jonge Vlaamse schrijvers. Doet de Vlaamse literatuur het tegenwoordig écht beter dan de Nederlandse, zoals Arjen Fortuin onlangs in NRC-Handelsblad poneerde?
“Ik beschouw me zeker niet als vaandeldrager van een generatie. Daarvoor volg ik te zeer mijn eigen parcours. Toch koester ik me in een groep van een tiental jonge, talentvolle Vlaamse auteurs die geduldig aan een oeuvre timmeren. Dat er een nieuwe generatie was opgestaan, had de Nederlandse pers veel sneller in de gaten dan de Vlaamse. Vlaanderen heeft altijd te weinig oog gehad voor eigen talent. We kijken altijd liever over de grenzen. Heeft het toonaangevende Humo ooit iemand van de generatie dertigers als Dimitri Verhulst of Peter Terrin ontdekt? Wel nee. Met Annelies Verbeke is het ook pas begonnen nadat NRC haar omarmde. En als er in Nederland dan paginabreed staat: ‘De Vlamingen zijn beter’, komt er meteen een vingerwijzing van een Vlaming, Frank Albers, die zich in dezelfde krant afvraagt of dat wel zo is. Ach, denk ik dan, wees voor één keer niet bescheiden, wees trots op het talent dat voorradig is.”

Zelf mag u absoluut niet klagen. U was genomineerd voor de Gouden Uil én maakt nog kans op de Librisprijs. Wat doet zoiets met een auteur en zijn boek?

“Je staat ervan te kijken wat een effect zo’n nominatie heeft. Als je genomineerd wordt voor de Gouden Uil, verdrievoudigt je verkoop meteen. Met de Libris net hetzelfde. Meer en meer redden literaire prijzen boeken van de vergetelheid. Dat er na zes maanden nog over mijn boek wordt gesproken, is een onverwacht geschenk.”

U staat bekend als een schrijver die zich weinig gelegen laat liggen aan modes. Was het een stille revanche om met de Gouden Uil Prijs van de Lezer uitgerekend de postmoderne icoon Peter Verhelst nipt te verslaan?

“Ik ben vooral blij dat die twee nominaties aantonen dat een groot verhaal vertellen weer mag. Dat is in Vlaanderen lange tijd not done geweest. Zodra er een beetje dramatiek aan te pas kwam, kreeg je voor je kop dat je pathetisch werd. Er heerste een dwang van het postmodernisme. Er moest en zou van de literatuur een zekere kilheid afstralen. Terwijl ik vooral mensen wou raken. Let wel, ik kan van het postmoderne boek genieten. Peter Verhelsts Tongkat vind ik prachtig. Het probleem was dat dit boek tot de norm werd verheven. Je zag hetzelfde fenomeen met Zwerm en met Omega minor van Paul Verhaegen. En je merkt dat soort voorkeur ook onderhuids bij het Fonds voor de Letteren. Het kan niet dat een kleine kring van academici alle stoeltjes bezet en bepaalt wie letterenbeurzen krijgt of voorschrijft hoe er geschreven moet worden.”

Met uw nogal zwaarmoedige essaybundel Kruistochten richtte u papieren eretekens op voor een aantal Vlaamse schrijvers met wie u zich verwant voelde, zoals Richard Minne.

“Met Kruistochten wilde ik de lezer op een persoonlijke manier warm maken voor verwaarloosd literair erfgoed. Dat is ook de onderwijzer én de autodidact in mij. Tenslotte ben ik opgegroeid in de Genkse cités tussen migranten, mijn vader arbeider, mijn moeder huisvrouw; ik moest van nul beginnen en heb de literatuur op eigen houtje moeten ontdekken. Allicht daardoor kreeg ik in het begin veel tegenwind uit de academische wereld.”

Uit Kruistochten sprak een zekere idolatrie voor het pure schrijverschap. Vooral uw leermeester Jeroen Brouwers ademde zwaar over de schouder mee.

“In die periode van Kruistochten was ik compleet bezeten van literatuur. Mijn droom was: worden zoals Jeroen Brouwers. Ik zat toen trouwens in een magisch-realistische fase, zoals blijkt uit mijn romandebuut De verwording. Bovendien had ik net een echtscheiding achter de rug en wentelde ik me volop in mijn ellende. Ik ging ervan uit dat het voor een schrijver zo hoorde. Toen ik vernam dat Jeroen Brouwers in Zutendaal kwam wonen, niet ver van mijn toenmalige woonplaats Genk, wilde ik met hem contact opnemen. Hij bleek helemaal niet die afstandelijke, norse man te zijn, zoals zijn reputatie het wilde. Vanaf het begin heeft hij mij fervent gestimuleerd. Maar door Brouwers te leren kennen, begon ik veel nuchterder over het schrijverschap te denken. Ik wilde niet zoals hem worden, vereenzamen en ‘aan het raam zitten en het leven aan je voorbij zien waaien’, zoals hij ergens schrijft. Ik trok aan de handrem, want ik was bezig een zeer sombere man te worden. Ik leef hier nu wel vrij afgelegen, maar ik ben geen kluizenaar. Op een bepaald moment moet je je mentor gewoon een schop onder de kont geven. Brouwers kan uit zijn eigen leven op een meesterlijke wijze boeken distilleren. Ik niet, ik moet andermans verhalen vertellen, ik moet personages verzinnen en mijn fantasie gebruiken.”

In De engelenmaker hebt u uw duivels kunnen ontbinden. Wat was de vonk tot dit boek? En vanwaar die fascinatie voor genetische manipulatie?

“Ik wist van meet af aan dat ik iets met klonen wilde doen. Stel: je kloont jezelf, hoe sta je dan tegenover die kloon van jezelf? Hoe ga je die opvoeden? Ga je je fouten verbeteren? Bij dokter Hoppe gaat het erom dat hij zijn nakomelingen fysiek en mentaal beter probeert te maken. Hij streeft ernaar die hazenlip weg te werken. Een hazenlip speelt in op ons voyeurisme. Je wordt er zwaar op beoordeeld, veel meer dan als je bijvoorbeeld maar één arm hebt, terwijl dat een veel grotere handicap is.”

Er worden nogal wat morele kwesties aangeroerd in De engelenmaker.

“Wat ik er vooral in wilde stoppen, is hoe je leven gestuurd wordt door wat anderen over je denken en hoe ze naar je kijken. Je ziet iemand voor het eerst aankomen en meteen heb je al een oordeel klaar, soms in één flits. Ik las onlangs ergens dat vrouwen beslissen of ze met iemand een relatie willen aangaan op basis van de eerste dertig seconden. Zou het?”

De engelenmaker is onvervalst ‘horlogemakersproza’, het is alsof op het eind alle radertjes in elkaar draaien. Dat is duidelijk nog een les van Brouwers: ‘Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt’?

“Dat principe zit altijd in mijn achterhoofd. Haal je één passage uit het boek, dan stuikt het geheel in elkaar. Ik heb er 70 pagina’s uitgegooid, omdat ze niet aan dat principe voldeden. Een waterdichte structuur bereik je maar door dag in dag uit met je boek bezig te zijn. Het is soms verschrikkelijk. Een eerste versie van 150 pagina’s, geschreven vanuit het standpunt van de drieling, heb ik op aanraden van de uitgever weggegooid. Pas bij mijn volgende versie vond ik die afstandelijke vertelstem en kwam de klemtoon op dokter Hoppe te liggen. En dat werkte wél.”

Ook de metaforiek hebt u overboord gegooid.

“De stijl eenvoudig houden was een bewuste keuze. Ik wilde de spanning geleidelijk opvoeren. Ik ben ook langzaam tot het besef gekomen dat je geen honderd zinnen meer hoeft te schrijven als het in één zin kan. Op een bepaald ogenblik lees je in de roman: ‘Victor kan niet fietsen.’ Iemand die op zijn veertiende niet kan fietsen, dat is veelzeggend. Welnu, in dat ene beeld schuilt het totale gebrek aan ouderliefde voor Victor. Er is nooit iemand geweest die zich om hem bekommerd heeft. Zoiets probeer ik nu in één zin te vatten. Vroeger was ik te veel bezig met mooischrijverij.”

‘Brijs is de meester van het mededogen’, schreef een recensente. Toch is De engelenmaker ook een gruwelijk boek.

“Sommige lezers zijn zwaar geschokt en willen niet meer verder lezen. Toch zit er veel mededogen in de wijze waarop ik Victors jeugd ontrafel. Zo wordt duidelijk waar het fout loopt. Je mag nooit onderschatten hoe cruciaal een jeugdtrauma kan zijn. De daad die tot een trauma leidt, hoeft amper een minuut in beslag te nemen, maar kan je voor eeuwig achtervolgen.”

U speelt ook voortdurend met de grenzen tussen fictie en non-fictie. Af en toe vinden werkelijk gebeurde feiten een plaats in je verhaal.

“Ik vind het geweldig om vanuit de realiteit een verhaal te verzinnen. En onderschat ook de invloed van Google niet. Zonder Google had ik twee jaar langer aan dit boek geschreven. Soms zat de werkelijkheid me ook op de hielen. Mijn grootste angst was dat de eerste kloonbaby geboren zou worden voor mijn boek af was. Toch is het fascinerend te ontdekken dat er al in 1910 druk geëxperimenteerd werd met klonen. Niet met muizen, zoals in De engelenmaker, maar met kikkers en eicellen, door ze bijvoorbeeld met een scheermesje in twee te delen. Zoiets wil je dan meteen in je boek inpassen.”

Als we op uw boek mogen voortgaan, is het zeer gevaarlijk om te morrelen aan de menselijke genetica. Geloof je zelf dat klonen wenselijk is?

“Wanneer je als wetenschapper de mogelijkheden hebt om te klonen, moet je sterk in je schoenen staan om het niet te proberen. Het lijkt gewoon een logische, volgende stap. Vervolgens rijst de vraag: wie mag je klonen? Een lesbisch stel dat een kind wil? Een kind dat sterft en van wie de ouders een identieke kopie willen? En mag je sleutelen aan iemand met een hazenlip?”

De engelenmaker gaat ook over de kinderwens en het nalaten van sporen. In welke zin kleurt dat uw schrijverschap?

“Voor veel mensen die een normaal leven leiden, is de kinderwens dé invulling van hun leven. En soms gaat men daar heel ver in. Ikzelf zit daar niet mee, wellicht omdat ik andere manieren heb om sporen na te laten. Boeken schrijven bijvoorbeeld. Kinderen krijgen zie ik als een belemmering van mijn schrijverschap. Mocht ik kinderen krijgen, dan zou ik natuurlijk een zeer goede vader willen zijn. Maar terwijl ik een luier ververs zou ik mezelf allicht voor het hoofd stoten: verdikkeme, ik moet schrijven! (lacht uitbundig)”

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online.
Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!

Dit bericht is geplaatst in Bibliotheken met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *