Sandor Marai: Gloed (boekbespreking februari 2006)

Biografie:
Sandor Marai werd op 11 april 1900 geboren in het Hongaarse Kassa, een grensstadje dat bij iedere nieuwe politieke ordening van vaderland wisselde. Vandaag heet het Kosice en ligt het in Slowakije.
Hij kwam ter wereld als Alexander Grosschmid. Het pseudoniem Marai is afgeleid van de adellijke toevoeging ‘de Mara’ aan de naam van zijn grootvader.

Over zijn afkomst schrijft Marai in zijn dagboeken: “Mijn voorvaderen waren Saksische burgers, die als pioniers in het land van een kleurrijk, interessant volk kwamen. Ze verwierpen de stad en de stedelijke cultuur en leefden naar strenge, burgerlijke normen.”
De vader van Marai was een welvarend jurist. Hij kreeg een beschermde opvoeding, wat hem echter niet belette om ten tijde van de revolutie in De Rode Vaan te publiceren.
In oktober 1919 verliet Marai Hongarije. Hij schreef zich in aan de universiteit van Praag, en zette zijn studies verder in Frankfurt, Leipzig en Berlijn. Daar ontmoette hij de Joodse Ilona Mantzen, ‘Lola’, met wie hij trouwt. Ze gingen naar Parijs, Londen en Damascus. Hij werkte in die tijd als correspondent voor de Frankfurter Zeitung en vertaalde Kafka in het Hongaars. In 1928 keerde hij terug naar Hongarije en vestigde zich in Boedapest.
Hij kwam terug in een land waar de tijd, na de Eerste Wereldoorlog en het uiteenvallen van de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije, was blijven stilstaan. Het was een dwergstaatje geworden met zeven miljoen inwoners, waarvan het merendeel uit analfabete boeren bestond. Door het ontbreken van een gemeenschappelijke taal had het land geen contacten met de grotere buurlanden: het was een etnische enclave in Europa. Bovendien was het ook een fascistische dictatuur die zich in 1941 zou aansluiten bij Hilter.
In 1945 werd Hongarije ‘bevrijd’ door de Russen. Marai vond zijn woning in Boedapest plat gebombardeerd terug. In het verwoeste Boedapest adopteerde Marai ook een weesjongen, Janos. Zijn zoon Kristof, geboren in 38, was kort na zijn geboorte gestorven.
De machtsovername door de communistische regering onder Racosi had voor Marai ingrijpende gevolgen. Hij geraakte steeds meer geïsoleerd. Links ging niet (“uit mijn klasse stappen zou gelijk zijn aan morele zelfmoord. alleen van binnenuit kan ik kritiek leveren.”) en rechts wilde hij niet (“want daar staat met knuppel en bajonet het fascisme op de loer”).
In 1948 verliet hij tenslotte Hongarije om er nooit meer weer te keren. Hij leefde enkele jaren in Zwitserland en Zuid-Italië en emigreerde uiteindelijk naar de VS, waar hij zich eerst in New York en later in San Diego vestigde. Hij was nu een auteur zonder lezers en schreef vooral dagboeken. Toen zijn vrouw en aangeboren zoon stierven, was zijn eenzaamheid nog groter. Hij volgde een schietcursus bij de plaatselijke politie. Vertrouwd met de voorschriften schoot hij zichzelf op 15 januari 1989 neer. De as van Marai, die zijn hele leven in vele opzichten een ontheemde is geweest, werd, net als de as van zijn vrouw, uitgestrooid in zee.

Bibliografie (van de Nederlandse vertalingen tot 2006):
2000: gloed
2000: De erfenis van Eszter
2002: Land, land!…
2003: De opstandigen
2004: De gravin van Parma
2005: Kentering van een huwelijk
2006: Nacht voor de scheiding

Over Sandor Marai verscheen in 2006 het boek Sandor Marai: een leven in beelden van de auteur Ernô Zeltner

Bewerkingen van ‘Gloed’:
*Theater Malpertuis in 2005
Aan feiten hebben de 73-jarige opponenten geen boodschap meer. Veel te futiel. Met een nietsontziende zelfanalyse dringen ze door tot de intentie achter de dingen. Dat is wat Bob De Moor interesseert, die bij Theater Malpertuis de rol van Henrik speelt en het project op gang trok. “en paar jaar geleden gaf Herwig De Weerdt me het boek cadeau. Ik zag er direct theater in. Als we alles schrappen wat geen dialoog is, houden we toneel over. Dacht ik. Maar dan zat er ook geen spanning meer in.” Hoewel hij zelf overwegend aan het woord is en Wim Van der Grijn zijn klankbord is, vindt hij Konrad het belangrijkste personage. “Hij heeft de sleutel in handen, hij moet de gissingen van Henrik maar bevestigen of ontkennen. Maar hij zwijgt. Het mysterie dat erover hangt, is boeiend. In de taal kun je alleen maar suggereren. Je kunt iets benaderen, mar het nooit helemaal pakken. Marai komt zeer dicht bij liefde, bij vriendschap en passie. Iemand als Musil kon dat ook, zij het ietsje wetenschappelijker. Bij Marai is het emotioneler.” (DS 6 januari 2005)
*Er zouden naar verluidt plannen zijn van Milos Froman (Amadeus, One flew over the cuckoo’s nest) om Gloed te verfilmen. En zelfs de naam van Sean Connery is aan het project verbonden. (DS 6 januari 2005)

Personages:
Henrik, de generaal,
Konrad
Krisztina
Nini

Context:
Het verhaal speelt zich af rond 1900 in Wenen en Hongarije.
Henrik is opgegroeid in Hongarije, een land dat rond die tijd veel veranderingen meemaakte. Destijds vormde Hongarije samen met Oostenrijk de dubbelmonarchie. In 1867 sloot Keizer Franz Joseph van Oostenrijk een historisch compromis met de Hongaarse leider Ferenc Deak. Hongarije en Oostenrijk werden twee onafhankelijke constitutionele staten, met dezelfde heerser (Franz Joseph) en een gezamenlijk defensiebeleid. In die tijd was het gebruikelijk dat jongens uit gegoede families naar een militair opleidingsinstituut gestuurd werden.
Wenen en Boedapest waren de beide hoofdsteden van deze dubbelmonarchie. Economisch, cultureel en intellectueel ging het de beide steden in die tijd voor de wind.
In 1914 werd Franz Ferdinand vermoord, de erfgenaam van de Habsburgse troon. De dubbelmonarchie ging een verbond aan met Duitsland en vocht mee in de Eerste Wereldoorlog. In 1918 kwam er aan de dubbelmonarchie een einde en werd de republiek Hongarije opgericht. Het Habsburgse rijk was hiermee definitief verdwenen. De republiek was maar van korte duur: in 1918 grepen de communisten onder leiding van Bela Kun de macht. Deze hield niet lang stand: in 1919 maakten de contrarevolutionaire troepen van Miklos Horthy een eind aan deze regering. Horthy bleef staatshoofd tot 1944.
In 1944 bezette Hitler Hongarije. De ultrarechtse Hongaar Szalasi kwam aan de macht. De russen verdreven in 45 het Duitse leger uit Hongarije. Tot 1991 hielden ze Hongarije bezet. Pas toen kreeg Hongarije zijn soevereiniteit terug. (uit Biblion: uittreksels)

Sandor Marai over literatuur (in ‘Land, land!…):
(p. 113) Het persoonlijk contact tussen schrijver, uitgever en lezer bestaat niet meer: de commerciële, industriële civilisatie eist van de schrijver in het Westen een product dat voldoet aan de smaak van de massa, en in het Oosten politieke fournituren, met en maatstok afgemeten wereldbeschouwelijke normen. Literatuur wordt voor uitgevers slechts een extraatje, dat ze in hun programma boven op de banale pulp en de pseudo-wetenschappelijke vakliteratuur deden, zoals de slager een extra stukje bij het vlees doet… ..
(p.117) De lezer leefde vroeger nog ergens: dit raadselachtig wezen, dat op hoog niveau antwoordt als hij op hoog niveau wordt aangesproken. Alleen een triviale schrijver meent dat ‘zich verlagen tot het niveau van de lezer’ het geheim van het succes is…
(p.127) Het was zijn werk om in tijdschriften recensies van boeken te schrijven. Over die recensies dacht hij vol toewijding na, en schreef daarna met de gewetensvolle concentratie van een rechter uit de goede oude tijd, die in een proces over leven en dood vonnist. Maar eerst las hij de boeken waarover hij schreef. Dit criterium, deze praktijk veranderde later: blaaskaken pakten de pen en kraakten onder het mom van een recensie hele oeuvres af in halve zinnen.

Om even bij stil te staan:
(Aristoteles): ‘Niemand zou ooit verkiezen zonder vrienden te leven, zelfs al zou hij alle goederen van de wereld beschikken’, maar ook: ‘Mijn beste vrienden, er bestaan geen vrienden’
(Montaigne Essays 1.17) Hierin maakt Montaigne een onderscheid tussen ‘het milde, gelijkmatige en bestendige vuur van de vriendschap tussen mannen, en het roekeloze, grillige, nu eens oplaaiende en dan weer smeulende koortsvuur van de liefde tussen man en vrouw’.

recensie: DS donderdag 13 april 2000
Roman van Sándor Márai geeft zijn geheim niet prijs
PROZA. De vinger aan de trekker
De roman Gloed van Sándor Márai (1900-1989) dateert uit 1942, maar was vorig jaar een inslaand succes in Duitsland en is nu ook in het Nederlands vertaald. Het verhaal gaat over twee vrienden die na veertig jaar met elkaar in het reine willen komen over een verschrikkelijk incident. Márai’s relaas van hun ontmoeting tekent tegelijk de tijdgeest waarin de twee zijn blijven hangen: die van het Habsburgse rijk met al zijn waarden en gevoeligheden.
Toen de Hongaarse schrijver Sándor Márai in 1989 in het Californische San Diego stierf, kende bijna niemand hem. Zelfs in zijn vaderland, dat Márai veertig jaar eerder was ontvlucht, was zijn naam alleen bij een handvol ingewijden bekend. In de jaren zeventig en tachtig probeerden communistische cultuurbonzen delen van zijn werk uit te geven, maar dat stuitte op fel protest van de trotse individualist, die zelfs met de omvangrijke Hongaarse emigrantenbeweging in Amerika niets wilde te maken hebben. Pas na zijn overlijden, dat samenviel met de val van de dictatuur, werd zijn werk in Hongarije weer uitgegeven. Gaandeweg raakte Márai ook in het buitenland bekend, eerst in Italië.
De grote doorbraak kwam vorig jaar, toen Hongarije het themaland was op de Frankfurter Buchmesse. Márai’s net in het Duits vertaalde roman Gloed (1942) kreeg er meer aandacht dan de nieuwe boeken van György Konrád, Peter Nádas of Imre Kertész. Marcel Reich-Ranicki en zijn adjudanten kwamen in het televisieprogramma Das literarische Quartett woorden tekort om Márai te prijzen. Die Zeit sprak van ,,een grote herontdekking” en ,,een literaire sensatie”, de Frankfurter Allgemeine van ,,een elegant meesterwerk” en ,,een schrijver van Europees formaat”. Al snel belandde de roman hoog op de Duitse bestsellerlijsten. Inmiddels staan in diverse Europese landen vertalingen van Gloed op stapel. Zojuist is bij Wereldbibliotheek de Nederlandstalige versie verschenen.
Sándor Márai was het prototype van de meertalige, kosmopolitische intellectueel uit de eerste helft van de eeuw. Hij werd in 1900 in het Oost-Hongaarse Kosice geboren (dat tegenwoordig tot Slowakije behoort). Na de eerste wereldoorlog studeerde hij in Berlijn en Frankfurt – zijn adellijke voorouders waren van Duitse afkomst – en werkte enkele jaren als reisjournalist voor de Frankfurter Zeitung. En passant vertaalde hij Kafka, Trakl en Benn in het Hongaars. Vanaf 1928, toen hij naar Boedapest verhuisde, legde hij zich toe op het schrijven van romans, verhalen en toneelstukken; zijn doorbraak volgde in 1934 met het deels autobiografische Bekentenissen van een burger.
Tijdens het nationaal-socialisme leefde Márai teruggetrokken in de Hongaarse hoofdstad en op het platteland. Door de communistische machtsovername raakte hij definitief ontheemd. Hij vluchtte naar Zwitserland en Italië, vanaf 1952 leefde hij in de Verenigde Staten, eerst in New York en later in Californië. Zonder uitzicht op publicatie volhardde hij in het schrijven van romans en verhalen. Door de dood van zijn vrouw en het plotselinge overlijden van zijn zoon, raakte Márai – die het Engels nooit volledig onder de knie kreeg – in de jaren tachtig steeds meer geïsoleerd. ,,De eenzaamheid om me heen is dicht als winternevel, ze is tastbaar,” schrijft hij in zijn aangrijpende dagboeken, die onlangs eveneens in het Duits zijn vertaald. (Tagebuch 1985-1989, Verlag Klaus Bittner). Begin 1989, luttele maanden voor de politieke ommekeer in zijn vaderland en het begin van zijn eerherstel, zette Márai zich een pistool tegen het voorhoofd.
Gloed zal menigeen aan het oude Midden-Europa herinneren, aan het Kakanië van Arthur Schnitzler, Robert Musil, Joseph Roth en Heimito von Doderer. Wenen en het Habsburgse rijk spelen een belangrijke rol, het snel gekwetste eergevoel van de hogere standen en hun erotische besognes zijn voortdurend aanwezig. Zelfs de Lippizaner-paarden en keizer Franz-Joseph ontbreken niet. Centraal staan twee bejaarde mannen, gewezen jeugdvrienden, die elkaar na ruim veertig jaar weer ontmoeten: de 75-jarige Henrik, de zoon van een gardeofficier, en zijn even oude vriend Konrád. De eigenlijke hoofdpersoon is afwezig. Ze is zelfs al geruime tijd gestorven: Henriks vrouw Krisztina.
Henrik vermoedt dat zijn vrouw een verhouding heeft gehad met Konrád. Bij een jachtpartij, lang geleden, richtte Konrád plotseling de loop van zijn geweer op Henrik en het scheelde niet veel of hij had de trekker overgehaald. Of Konrád werkelijk de trekker had willen overhalen, en of een liaison met Krisztina het achterliggende motief was, dat zijn de vragen waarop Henrik, 41 jaar later, een antwoord hoopt te krijgen.
Langzaam verschaft Márai enige duidelijkheid, maar de geheimen worden nooit volledig onthuld. Dat het jachtincident het leven van beide mannen aanzienlijk heeft veranderd, staat vast. Konrád verliet de dag na het incident huis en haard en leefde jarenlang in de tropen. Henrik bleef op zijn provinciale kasteel in Hongarije wonen, maar verbrak volledig het contact met zijn vrouw, die acht jaar later na een lange ziekte stierf. Ook met de buitenwereld wilde hij niets meer te maken hebben. ,,Ik leefde in eenzaamheid, in gekwetstheid,” stelt de gewezen officier van het Oostenrijks-Hongaarse leger, die zint op eerherstel en nu eindelijk de waarheid wil weten.
Of Henriks wantrouwen terecht is geweest, of dat hij slechts een jaloerse echtgenoot was, laat Márai in het midden. Slechts enkele details kunnen erop wijzen dat zijn vrouw een verhouding met Konrád had. Zo verdween vlak na het incident Krisztina’s dagboek, dat ze voordien nooit voor hem verborgen had.
Jaren later, na het overlijden van zijn vrouw, vindt hij het dagboek terug. Hij heeft het nooit geopend maar wil het nu, op de bewuste avond, in aanwezigheid van Konrád inzien. Deze toont echter weinig belangstelling en uiteindelijk gooit Henrik het dagboek in de vlammengloed van de open haard, waardoor het geheim voor altijd onopgelost zal blijven.
Márai is een meester in het opvoeren van de spanning. Eerst is er het wachten op Konrád, wiens komst bladzijdenlang wordt voorbereid. Daarna staat alles in het teken van de onthulling, die niet komt.
De roman begint met gemeenschappelijke jeugdherinneringen van de twee mannen uit hun studietijd in Wenen. Toen werden de grote verschillen al duidelijk. Henrik had een rijk sociaal leven, deed aan sport, stortte zich in het nachtleven. Konrád leefde teruggetrokken, hield van literatuur en was, net als Henriks latere vrouw, een gepassioneerde muziekliefhebber. Soms herinnert dit deel van de roman aan de tegenstelling tussen burger en kunstenaar in het werk van Thomas Mann.
De neutrale verteltrant uit het eerste deel – met schitterende lyrische passages over de vriendschap tussen mannen en de fascinatie van de jacht – verandert gaandeweg in een monoloog van de verbitterde Henrik. Hij is in zijn jarenlange isolement wantrouwig en wrokkig geworden, hevig gekweld en soms op de rand van de waanzin. In hoeverre hij daarbij erfelijk belast is – ook zijn vader was snel beledigd en verkoos de eenzaamheid – laat Márai in het midden. Dit laatste is ongetwijfeld het opvallendste kenmerk van Gloed: veel, zeer veel wordt slechts aangestipt en moet je tussen de regels lezen.
Gloed speelt in 1940, maar van de dreigende oorlog, laat staan van de deportaties is in deze tamelijk traditioneel vertelde roman nergens sprake. Alles lijkt peis en vree, behalve in de hoofden van de protagonisten. Beide bejaarden voelen zich ontheemd in de nieuwe tijd en staan nog met één been in de Habsburgse monarchie; sommige nostalgische passages doen denken aan Joseph Roth, Heimito von Doderer of Stefan Zweig. Konrád, die stamt uit een milieu van verarmde Poolse adel, stelt: ,,Mijn vaderland is opgehouden te bestaan, uiteengevallen. Mijn vaderland was Polen en Wenen, dit huis en de kazerne in de stad, Galicië en Chopin.”
Soms gaat vooral Henrik in zijn conservatisme erg ver en heb je de behoefte hem tegen te spreken. Bijvoorbeeld als hij mijmert over moderne kunst, of als hij ergens de staf breekt over ,,de ziekelijke neigingen van mensen die een tegennatuurlijke bevrediging zoeken bij hetzelfde geslacht”.
Zulke incidentele passages doen nauwelijks afbreuk aan de grote kwaliteiten van Gloed. Márai vertelt met vaart en temperament en houdt de lezer tot op de laatste bladzijden in spanning. Hij heeft een schitterend oog voor psychologische en fantastische details, en vooral de geobsedeerde Henrik is een onvergetelijke literaire creatie. Zijn credo, uitgesproken tijdens de finale, luidt: ,,Er is iets wat erger is dan dood en lijden: je zelfrespect verliezen. Daarom was ik bang voor dat geheim, dat ik met Krisztina en jou deelde.”

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online.
Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!

Dit bericht is geplaatst in Bibliotheken met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *