Joost Zwagerman: De buitenvrouw (boekbespreking maart 2010)


Johannes Jacobus Willebrordus, oftewel Joost Zwagerman, wordt geboren op 18 november 1963 in Alkmaar. Zijn beide ouders werken in het onderwijs. Als kind van negen maakt hij al zijn eigen tijdschrift, ‘de Zwagergids’, met teksten en foto’s uit de Vara-gids bij hem thuis.
Zwagerman gaat naar het atheneum aan de Rijksscholengemeenschap Noord-Kennemerland in Alkmaar. Na drie jaar moet hij overstappen van atheneum naar HAVO vanwege gedragsproblemen. Na de middelbare school kiest hij voor de Pedagogische Academie. Daarna begint hij aan de opleiding Nederlandse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, en maakt die dus niet af. Hij volgt wel nog een cursus creatief schrijven bij Oek de Jong.
In 1984 gaat Zwagerman in Amsterdam wonen, waar hij zich meteen in de kunstmiddens (en andere trendy milieus) intergreert.
Hij is zowel dichter als prozaschrijver. Waarbij hij zich vanaf eind jaren tachtig heeft opgeworpen als een van de voornaamste woordvoeders van de dichtersgroep De Maximalen. Deze dichtersgroep zet zich af tegen de in hun ogen saaie en bloedloze poëzie van de dichtersgeneratie vóór hen, en pleit voor een poëzie die met beide benen in het maatschappelijk leven staat.
Joost Zwagerman is getrouwd met zijn oude schoolliefde Ariëlle. Sinds 1995 is hij vader. Zijn eerste zoontje heet Thijs en in 1998 wordt zijn tweede kind geboren. Vanaf hun geboorte schrijft hij in plaats van ’s nachts overdag, van 9 tot 17 op zijn eigen kantoor omdat hij anders wordt afgeleid.

Bibliografie

Joost Zwagerman (Alkmaar, 1963) debuteerde in 1986 op tweeëntwintigjarige leeftijd met de roman De houdgreep, één jaar later gevolgd door de verhalenbundel Kroondomein, naar aanleiding waarvan het weekblad De Tijd hem uitriep tot ‘de kroonprins van de Nederlandse literatuur’. Met de roman Gimmick! (1989) bereikte Zwagerman een groot leespubliek, gevolgd door de bestsellers Vals licht (1991) en De buitenvrouw (1994). Van deze drie romans zijn meer dan 150.000 exemplaren per titel verkocht, van De buitenvrouw zelfs meer dan 175.000.
Inmiddels behoort Joost Zwagerman tot de meest gelezen schrijvers van zijn generatie.
Het opmerkelijke bij Zwagerman is dat populariteit bij een breed leespubliek hand in hand gaat met een stijgende waardering in de literaire kritiek. Vals licht werd in 1992 genomineerd voor de AKO-LITERATUURPRIJS en in 1993 verfilmd. Zijn werk verscheen in vertaling in Duitsland, Frankrijk, Hongarije, Tsjechië en Japan. Behalve romans en verhalen schrijft Joost Zwagerman ook poëzie en essays. Zijn gedichtenbundel De ziekte van jij (1988) werd in 1998 herdrukt. Essays over literatuur, beeldende kunst en pop-muziek zijn verzameld in Collega’s van God (1993) en In het wild (1996). Naar aanleiding van zijn essaybundel Pornotheek Arcadië (2000) werd Zwagerman in NRC Handelsblad ‘een van de best schrijvende essayisten van dit moment’ genoemd. Het Financieele Dagblad over Het vijfde seizoen (2003): ‘Met Joost Zwagerman is een essayist opgestaan die zijn weerga niet kent.’ Over de dichtbundel Roeshoofd hemelt (2005) schreef poëzietijdschrift Awater: ‘Roeshooft hemelt van Joost Zwagerman zal een mijlpaal in de Nederlandse poëzie blijken te zijn.’
Joost Zwagerman schrijft sinds 1985 essays en kritieken voor Vrij Nederland en was enige jaren columnist van de Volkskrant en tegenwoordig van NRC Handelsblad.
2003 was het jaar van Zwagerman: In het voorjaar verscheen de bundel columns Het wilde westen en in november verscheen de essaybundel Het vijfde seizoen. Tegelijkertijd zag Standplaats Zwagerman het licht, een bundel óver Joost Zwagerman naar aanleiding van zijn indrukwekkend schrijverschap vóór zijn veertigste levensjaar. Deze bundel, met bijdragen van onder anderen collega-auteurs en literaire critici als Carel Peeters, Rob Schouten, Arie Storm en Kester Freriks, is rijkgeïllustreerd met foto’s uit de jaren 1986-2003.
Van 1998 tot 2000 was Joost Zwagerman vaste gast in het TV-programma Barend & van Dorp. In 2003 en 2004 presenteerde Joost Zwagerman VPRO’s Zomergasten.
In 2008 ontving hij de Gouden Ganzenveer voor zijn gehele oeuvre.
Zeven jaar lang, van 2002 tot 2009, schreef Zwagerman een tweewekelijkse column in NRC Handelsblad.
In 2010 is Joost Zwagerman de auteur van het boekenweekgeschenk.

(bron: www.joostzwagerman.nl)

Personages (belangrijkste)

Theo en Sylvia Altena
Sidney en Iris Pompier
Wouter Nijman

Een recensie uit het NRC HandelsbladPersonages (14 oktober 1994 door Hans den Hartog Jager)
Een zwarte doodskist en een koud wit lijk; Roman over alledaags racisme van Joost Zwagerman
In het voorlaatste hoofdstuk van Joost Zwagermans nieuwe roman De Buitenvrouw wordt hoofdpersoon Theo Altena bij het tuinhek van zijn woning aangesproken door zijn oudere buurvrouw. De dag ervoor is er bij haar ingebroken, maar alles, zo vertelt ze, is weer terug – gevonden in een pand met illegale buitenlanders. “Je mag het niet zeggen, maar het waren tóch weer de bruinen hè,” merkt ze op. “Of nou ja, buitenlanders in ieder geval. Het is toch godgeklaagd. Nou, ik had het wel geweten. Grenzen dicht, geen gezinshereniging meer, rijksgenoten alleen maar binnen als ze kunnen aantonen dat ze keurig van maandag tot vrijdag bij een baas werken, en alle illegalen op het vliegtuig met een enkele reis vaderland.” Opvallend genoeg glijdt deze tirade van Theo Altena af als motregen van een tentzeil. Hij heeft er geen zin meer in, hij heeft genoeg gehoord, en dus loopt hij glimlachend zijn huis binnen. “Vooral niet tegenspreken, dat had hij inmiddels wel geleerd.”
De insinuaties van mevrouw Does zijn niet de enige semi-racistische opmerkingen waarmee de hoofdpersoon van Joost Zwagermans nieuwe roman De Buitenvrouw wordt geconfronteerd. Zijn schoonvader roept tijdens een avondje televisiekijken dingen als: “Kijk nou toch eens. Zitten ze ook al in Telebingo, de zwarten,” terwijl zijn grootvader “Alweer een rotjood. Het zal es niet zo wezen.” mompelt.
Op het eerste gezicht draait De Buitenvrouw om de relatie tussen Theo Altena, leraar Nederlands aan het Westfries college in Hoorn, en Iris Pompier, zijn Surinaamse gymnastiek-collega. Deze geheime verhouding wordt en detail beschreven, vanaf de eerste afspraakjes tot het sullige einde. Toch wordt al snel duidelijk dat Zwagerman geen relatieroman heeft wilen schrijven. Hij probeert een genre nieuw leven in te blazen dat in de Nederlandse literatuur van de afgelopen decennia een kwijnend bestaan leidde: de geëngageerde, maatschappelijk betrokken roman. Niet voor niets laat hij zijn hoofdpersoon na een lange tirade over verpauperde stadswijken, vervagend normbesef onder autochtone Nederlanders, Turkse koffiehuizen en borreltafeldictatuur, uitroepen: “En waar waren de zogenaamde geëngageerde kunstenaars en intellectuelen? Nu het wérkelijk nodig was om de burger een geweten te schoppen, legde de culturele voorhoede zich toe op slappe camp en postmoderne ironie.” Zwagerman werpt een handschoen die hij tegelijkertijd zelf weer opraapt.
Die sneer naar ‘postmoderne ironie’ is nogal opvallend, omdat het juist Zwagerman was, die met Gimmick! vijf jaar geleden dé kroniek van de postmoderne ironie in Nederland schreef. Daarna kwam hij met Vals Licht, een roman waarin de waarachtigheid van liefde en relaties in het aids-tijdperk werd beproefd. De Buitenvrouw lijkt goed te passen bij de huidige heropleving van maatschappelijk engagement: het is een roman over engagement in tijden van materialisme. Dat zou je opportunistisch kunnen noemen, maar met Zwagerman is iets anders aan de hand: hij lijkt zich zo langzamerhand op te werpen als de chroniqueur van het moderne Hollandse leven. Van zulke schrijvers kunnen er in principe niet genoeg zijn: als ze slagen hebben ze én een goed boek geschreven én een bijdrage aan het maatschappelijk debat geleverd.
Dat laatste is dan ook precies wat Joost Zwagerman met De Buitenvrouw nastreeft. Zijn hoofdpersoon Theo Altena heeft een behoorlijke baan, is gelukkig getrouwd met de mooie, blonde Sylvia (‘Ze konden neuken als reigers’) en is een onverholen materialist – het prototype van de moderne dertiger die in de praktijk weinig met discriminatie geconfronteerd wordt, maar wel het gevoel heeft zich er druk om te moeten maken. Pas door zijn leraarschap en zijn verhouding met de donkere Iris wordt hij geconfronteerd met discriminatie en ‘alledaags racisme’.
Voor Zwagerman biedt deze constructie de gelegenheid verschillende kanten van deze problematiek uitgebreid te belichten. Zo maakt Theo zich kwaad op zijn schoonvader als die het over ‘die zwarten’ heeft; tegelijkertijd wordt hij zich ervan bewust zelf ook niet helemaal zuiver op de graat te zijn. In bed fantaseert hij bijvoorbeeld over Iris als ‘een zwarte doodskist’ waarin zijn ‘koude witte lijk’ komt te liggen, of als ‘de nacht’ die hem ‘toelaat in de holte van het heelal’, maar vraagt hij zich onmiddellijk af of dat eigenlijk wel mag.
Het probleem met De Buitenvrouw is dat Zwagerman niet veel verder komt dan de beschrijving van de weifelende houding van zijn hoofdpersoon. Het boek hinkt op twee gedachtes: enerzijds heeft Zwagerman engagement willen bedrijven, anderzijds heeft hij geprobeerd een literair spel met de werkelijkheid te spelen. Door de halfslachtigheid van die constructie faalt hij in beiden: het verhaal blijft eendimensionaal en realistisch, terwijl het engagement belerend en frikkerig is. Dat komt vooral doordat Zwagerman, net als in zijn vorige roman Vals Licht, lijdt aan het Oprah Winfrey-syndroom: hij neemt geen genoegen met het typeren van zijn hoofdpersonen door hun gesprekken en gedrag, maar voegt daar telkens ‘deskundig commentaar’ aan toe.
Zoals we in Vals Licht door een psycholoog bladzijdenlang werden voorgelicht over Pseudologica fantastica en door ‘ervaringsdeskundige’ Lizzie Rosenfeld over vaginisme, worden we in De Buitenvrouw geconfronteerd met pagina-lange verhandelingen over discriminatie en integratie. Dat zou zo erg niet zijn geweest als Zwagerman deze gedachtes niet zo krampachtig in de mond van zijn hoofdpersonen had gelegd; hierdoor verliezen de personages hun geloofwaardigheid en verwordt de roman tot een vehikel voor obligaat moralisme. Zwagerman heeft geen mening en geen oplossingen; hij komt nauwelijks verder dan de constatering dat er aan discriminatie veel meer kanten zitten dan de lezer op het eerste gezicht misschien gedacht zou hebben. Onbedoeld heeft Joost Zwagerman met De Buitenvrouw inderdaad een kroniek geschreven: een kroniek van het pseudo-engagement aan het begin van de jaren negentig.
UIT: JOOST ZWAGERMAN, DE BUITENVROUW
Anderhalve maand voordat ze met elkaar naar bed zouden gaan had zij Theo verteld over alle inspanningen van de dames en heren lesboeren in haar nabijheid; over dat o zo goedbedoelde gezwoeg van die mensen wanneer ze met haar spraken in de koffiepauze of na de vergadering. Vooral gewóón en ontspánnen met haar omgaan, zag je ze op zulke momenten denken, want interraciale communicatie, dat was hard werken. Aan een Indonesische of Hindoestaanse collega zouden de meesten waarschijnlijk sneller gewend zijn geraakt, zo iemand had evengoed een donker uitgevallen Hollander kunnen zijn, maar een Creoolse was en bleef ontegenzeggelijk uitheems, exotisch, curieus.

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online.
Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!

Dit bericht is geplaatst in Bibliotheken met de tags , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *