Imre Kertész: Onbepaald door het lot (boekbespreking 2003)

onbepaald door het lot 1onbepaald door het lot 2Biografie :
Imre Kertész werd op 9 november 1929 geboren in een joodse familie in Boedapest. Als zoon van gescheiden ouders, bracht hij een groot deel van zijn jeugd op internaat door. In 1944 werd hij door de nazi’s opgepakt en afgevoerd naar het concentratiekamp Auschwitz en vandaar naar Buchenwald. Daar werd hij in 1945 bevrijd. Na zijn terugkeer werkte hij als journalist tot hij op last van de partij in 1951 werd ontslagen. Onder dat communistisch regime was vrijheid alweer een illusie voor Kertész. Zelf zegt hij daarover: “Mijn leven veranderde nauwelijks na afloop van de nazi-tijd. Je moest praktisch onzichtbaar blijven. Het was meteen duidelijk dat er totaal geen vrijheid van denken zou zijn.” Vervolgens leefde hij 35 jaar lang in een benauwd een-kamerappartement in Boedapest, in een straatje ingeklemd tussen twee drukke verkeersaders. Zijn vrouw werkte, hij schreef, in een drukkend isolement. Er mocht niet gesproken worden over de holocaust. Kertész heeft het in dat verband over “het Hongaarse spel’, waarin de spelregels bepalen dat Hongarije een onschuldig slachtoffer van de geschiedenis is en daarom geen enkele verantwoording hoeft te nemen voor zijn daden. Er is een grote nationale leugen ontstaan: dat je geen vragen hoeft te stellen over dat verleden.” Ook na de val van het communistisch bewind in 1989 bleef Kertész kluizenaar in eigen land “omdat volstrekt duidelijk is dat er geen enkel gevoel van solidariteit ontstond met het vermoorde deel van de Hongaarse samenleving.”In 1995 stierf zijn vrouw. Hij hertrouwde met een Amerikaanse. Op 10 oktober 2002 kreeg Kertész eindelijk de erkenning die hij verdient: de Nobelprijs.

Bibliografie : (belangrijkse werken tot 2002)

1975 : Onbepaald door het lot
1988 : Het fiasco
1990 : Kaddisj voor een niet geboren kind
1993 : Dagboek van een galeislaaf
1997 : Ik de ander

Situering in tijd en ruimte :

De Vrede van Trianon in 1920 zorgde ervoor dat Hongarije tweederde van zijn grondgebied kwijtraakte. Admiraal Horthy streefde in de jaren dertig naar een drastische verschuiving van de Hongaarse grenzen en sloot zich daartoe aan bij de expansiedrift van het fascistische Italië en Nazi-Duitsland. Maar toen Hitler er in 1944 lucht van kreeg dat Horthy, die de nederlaag van de As-mogendheden aan zag komen, uit opportunistische redenen een afzonderlijke vrede wilde afsluiten met de westelijke geallieerden en met de Sovjet-Unie, betekende dat het begin van het einde van het Hongaarse Horthy-tijdperk. Op 12 februari 1944 schreef Horthy een brief aan Hitler waarin hij de terugkeer eiste van negen Hongaarse divisies die aan het oostfront vochten. Hij had die zogenaamd nodig om de Karpatische kust tegen het oprukkende sovjetleger te verdedigen. Maar Hitler bezette op 17 en 18 maart 1944 Hongarije en installeerde een marionettenregering in Boedapest.
In het kielzog van het Duitse bezettingsleger bevonden zich Eichmanns troepen. Binnen een paar dagen pakte de gewillig meewerkende Hongaarse Politie duizenden joden op. De eerste treinen naar Auschwitz begonnen al in april 1944 te rijden. Begin juni waren er maar liefst driehondderdduizend joden uit Pest en elders naar hun dood getransporteerd. In juli, toen er er bijna een half miljoen Hongaarse joden naar de gaskamers waren gestuurd, liet Horhty de transporten stoppen. Maar Hitler liet Horthy’s zoon kidnappen, chanteerde hem zo en liet de fascisten van Szalasi aan de macht komen. De tweede jodenvervolging begon. Tienduizenden joden uit het getto van Pest werden vanaf half oktober als dwangarbeiders in dodelijke marsen naar de ondergrondse fabrieken voor de V2-raketten gedreven. De begeleidende Hongaarse politie ging zo tekeer dat zelfs de fascist Szalasi, die voor zijn eigen hachje vreesde, het te bar vond en de ronselpraktijken halverwege november 44 afblies. Toen de Russen op 11 februari 1945 bevrijdden, lagen er duizenden dode joden in de straten, omgebracht door Hongaarse fascisten.

Enkele personages:

de leerkunstenaar, de smoker, de zijige, Rozi, de pechvogel, …
Bandi Citrom
Pjetjka, Bohoesj, de dokter en de ander hem bekende politieke gevangenen
de gebroeders Fleischmann………..

Enkele citaten uit het boek:

(p.59) Het belangrijkste argument voor mij om naar Duitsland te gaan was dat mij daar behoorlijke levensomstandigheden, interessante bezigheden, nieuwe indrukken en enig vermaak –kortom een zinvollere en aangenamere leefwijze dan in Hongarije- wachten, want dat was ons in het vooruitzicht gesteld en zo stelden wij het ons zelf ook voor.

(p.82) Wat ik gedurende deze korte tocht van de omgeving zag, stond me over het algemeen aan. Ik verheugde me vooral over de aanwezigheid van een voetbalveld, meteen rechts van de weg, op een grote open plaats. Een groen grasveld, de voor het spel noodzakelijke witte doelpalen, witte lijnen op het speelveld –alles was aanwezig, aanlokkelijk uitziend, bijna nieuwe, goed onderhouden, piekfijn opgeruimd. Wij jongens riepen dan ook dadelijk naar elkaar: “Zeg lui, als we klaar zijn met werken gaan we daar lekker voetballen.”

(p.98) Ze hadden namelijk ontdekt dat ook andere gevangenen die langer in het kamp zaten –met name enkele mensen die in de keuken werkten –zulke getatoeëerde nummers droegen. Het antwoord dat een van hen had gegeven toen men hem naar de betekenis van die nummers had gevraagd, ging in mijn omgeving van mond tot mond en werd voortdurend herhaald en besproken. De betrokkene had namelijk gezegd: “Das is die himmlische Telefonnummer”! Ik merkte dat dit verhaal iedereen aan het denken zette, en hoewel ik het zelf niet goed begreep, vond ik het wel een vreemd antwoord.
(p.113) Buchenwald licht in een streek met veel heuvels en dalen, op de kam van een langgerekte heuvel. De lucht is er schoon en wie er voor het eerst komt, raakt niet gauw uitgekeken op het afwisselende landschap.

(p.151) Ik durf te beweren dat je bepaalde zaken alleen in een concentratiekamp leert. In dwaze sprookjes uit mijn jeugd was bijvoorbeeld dikwijls sprake van arme, dakloze jongelingen die in dienst van de koning traden om de hand van de prinses te verwerven. Vol vreugde hoorden ze dat hun diensttijd slechts zeven dagen zou duren. “Maar zeven dagen zijn bij mij zeven jaren”, zei de koning daarop. Welnu, precies hetzelfde kan ik van het concentratiekamp zeggen. Ik had bijvoorbeeld nooit gedacht dat ik ze snel in een afgeleefd oud mannetje kon veranderen. In het normale leven thuis was daar tijd voor nodig, minstens zestig of zeventig jaar, maar in Zeitz waren drie maanden genoeg om mijn lichaam te slopen.

(p.175) Ik wilde nog een tijdje doorleven in dit mooie concentratiekamp.

(p.217) Natuurlijk was ik ook heel blij met de herkregen vrijheid, maar ik kon niet nalaten te denken dat het een dag eerder nog onvoorstelbaar zou zijn geweest dat we niet op tijd te eten kregen.

(p.239) Nu, ik heb me ook geuit, misschien tevergeefs en ook wat onsamenhangend, maar toch heb ik die twee ouden mannen (Fleischmann) duidelijk gemaakt dat we nooit een nieuw leven kunnen beginne, maar alleen het oude kunnen voortzetten, en dat ik degene was die door bepaalde stappen te doen richting aan mijn leven had gegeven, en niemand anders.

(p.242) Wij mensen zijn in staat om alles te overleven, ook de meest ongerijmde situaties, en in de verte, wist ik, wachtte het geluk al op me, als een onvermijdelijke val. Zelfs daarginds, bij de schoorstenen van Auschwitz, was er, als de kwellingen aflieten, iets geweest wat je met gelijk zou kunnen vergelijken. Iedereen had het over ontberingen en ‘gruwelen’, maar die kleine gelukservaringen waren het belangrijkste geweest. Ja, als ze me weer van die vragen stelden, zou ik daarover vertellen, over het geluk dat je in een concentratiekamp kunt ervaren.
Als er ze er ooit nog naar zouden vragen, en ik dat geluk dan nog niet vergeten was.

Enkele citaten van Imre Kertész:

“God schiep de mens en de mens schiep Auschwitz” (uit Ik de ander)

“Metaforisch ben ik me voortdurend aan het krabben. We kennen allemaal de beroemde uitspraak van Montesquie: “Op de eerste plaats ben ik een mens, en daarna een Fransman.”
De racist –want het antisemitisme is sedert Auschwitz geen louter antisemitisme meer – wil dat ik op de eerste plaats een jood ben en dat ik daarna geen mens meer ben”. (uit’De taal van de verbanning’, essay)

“Onbepaald door het lot is in een ogenschijnlijke luchtige stijl geschreven, maar toch heeft het schrijven van dit boek me veel moeite gekost. Ik moest veel weerzin overwinnen om eraan te werken. Ik wist ook niet hoe ik de werkelijkheid van het kampleven op een literaire manier zodanig vorm kon geven dat ik aan de waarachtigheid van mijn ervaringen geen afbreuk deed.”

De Nobelprijs voor Imre Kertész. De film van zijn leven. (recensie van Piet de Moor, DS 17/11/2002) :

Op 73-jarige leeftijd krijgt de Hongaarse schrijver Imre Kertész de Nobelprijs voor zijn literaire oeuvre. Zijn eerste werk bleef onopgemerkt, maar in de jaren negentig werd hij in toenemende mate in het buitenland erkend. Een rode draad in zijn werk: hij verafschuwt de autoritaire trekken in de mens en zijn instituties.
De idee dat zijn leven door Steven Spielberg zou kunnen worden verfilmd, moet voor Imre Kertész (1929) een nachtmerrie zijn. Die kans is niet groot, al loopt er door het leven van de nieuwe Nobelprijswinnaar wel een verhaallijn (en een slotnoot) die Hollywood zou doen watertanden. Je hoeft alleen maar Kertész’ levensloop te reduceren tot de naakte verhaalstrengen van zijn romans. Als we dat doen, zien we voor ons de jongen György Köves die in 1944 even buiten Boedapest door een Hongaarse rijkswachter uit de bus wordt geplukt omdat de ordehandhaver aan zijn gele ster kan zien dat hij een jood is. De jongen, die geen flauw benul heeft wat hem overkomt, komt in Buchenwald en Zeitz terecht. Hij overleeft het kamp omdat een oudere gevangene zo fair is om hem zijn verloren gegane voedselrantsoen terug te geven. In 1945 wordt György door de Amerikanen bevrijd.

Zo zou de synopsis eruit kunnen zien van een Hollywood-scenario dat gebaseerd is op Kertész’ romans Onbepaald door het lot (1975) en Kaddisj voor een niet geboren kind(1990). Het verdere leven van de schrijver levert ook nog wel ,,mooie”, maar minder spectaculaire verhaalstof op. Na de oorlog leeft en werkt Kertész in het stalinistische Hongarije, waar hij zich als onafhankelijk schrijver en vertaler tracht te vestigen. Als in 1975 Onbepaald door het lot , de roman waarin hij zijn Auschwitz-ervaringen verwerkt en waaraan Kertész 13 jaar (1960-1973) heeft gezwoegd, in Hongarije wordt gepubliceerd, nemen de media daar geen kennis van. De schrijver beschrijft deze mislukking in een nieuwe roman die — hoe kan het anders? — Het fiasco (1988) heet.

Halverwege de jaren negentig wordt het talent van Imre Kertész in het buitenland ontdekt. In een veel te kleine kring worden zijn boeken als meesterwerken geprezen. Op zijn 73ste, op 10 oktober 2002, krijgt de schrijver de Nobelprijs. Gerechtigheid is geschied. Een Hollywoodfilm zou nu kunnen eindigen in Zweedse zuurstokkleuren.

Imre Kertész heeft in Van wie is Auschwitz? , een essay uit de bundel Een gedachtelengte stilte, terwijl het executiepeloton opnieuw laadt (1998), Steven Spielbergs film Schindler’s List als dinosaurusachtige kitsch gehekeld. Opmerkelijk is dat Kertész dat niet deed omdat hij vond dat het thema Auschwitz niet door Hollywood geprofaneerd mocht worden. Kertész, die ondanks zijn obsessie geen holocaustfetisjist is, viel Spielberg aan omdat de Amerikaanse regisseur de levensechtheid van de kampdetails als alibi gebruikte om de bioscoopbezoekers in de zoete val van het sentiment en dus van de slechte smaak te lokken.

Het argument dat Spielberg de grote en onverschillige massa voor het thema ,,holocaust” warm heeft gemaakt, is een argument dat Kertész veeleer mishaagt. In zijn essay merkt de schrijver daarover op: ,,Maar waarom zou ik als overlevende van de holocaust en in het bezit van andere ervaringen van de terreur, me verheugen over het feit dat steeds meer mensen deze ervaringen op het filmdoek zien — en wel vervalst ?” Het is volgens Kertész belachelijk, infantiel en kitscherig om de boodschap uit te dragen dat het humane gaaf en onbeschadigd uit Auschwitz tevoorschijn is gekomen zodra de poorten van de kampen opengingen. In Van wie is Auschwitz? formuleerde Kertész zijn kritiek in algemener bewoordingen: ,,Als kitsch beschouw ik ook elke voorstelling die niet in staat — of onwillig — is te begrijpen welke organische samenhang er bestaat tussen onze levenswijze, die zowel op het terrein van de beschaving als in het privédomein vervormd is, en de mogelijkheid van de holocaust.”

Het is juist om die reden dat de verteller uit Kaddisj voor een niet geboren kind zich zo opwindt als iemand in het gezelschap zegt dat Auschwitz en het daar begane kwaad niet voor verklaring vatbaar zijn. In een uitbarsting van woede roept de joodse verteller uit dat weliswaar het goede onverklaarbaar is, maar dat er voor het kwade altijd een rationele uitleg bestaat, want ,,misschien is de satan zelf, evenals Jago, irrationeel, maar zijn schepselen zijn uiterst rationele wezens, al hun daden zijn als een wiskundige formule afleidbaar, afleidbaar uit het een of ander belang, uit winzucht, uit lauwheid, uit machtsbelustheid en wellust, uit lafheid, uit de behoefte om de een of andere drift te bevredigen, en zo niet hieruit, dan uit de een of andere waan, uit paranoia, uit een manisch-depressieve psychose, uit pyromanie, uit sadisme, uit de behoefte tot lustmoord, uit masochisme, uit demiurgische of andersoortige megalomanie, uit necrofilie, kortom uit een der ontelbare perversiteiten en misschien wel uit al deze afwijkingen tegelijk.” Nu zou het belachelijk zijn te beweren dat Kertész de pretentie heeft om de deformaties van de menselijke natuur recht te willen trekken. Veeleer tracht hij aan te tonen dat, aangezien de bronnen niet zijn opgedroogd, Auschwitz niet voorbij is, maar zich achter andere maskers altijd opnieuw manifesteert. Daarom irriteert het Kertész mateloos dat de vertegenwoordigers van de heersende cultuur zich weinig of niet bekommeren om de doelstellingen van die cultuur, dat ze de samenhangen tussen de heersende cultuur en de holocaust uit sentiment, commerciële overwegingen en gemakzucht — de cirkel is rond — niet willen zien of begrijpen. Voor de verteller van Kaddisj voor een niet geboren kind was het internaat met al zijn autoritaire vormen van koeioneren, die eufemistisch ,,pedagogie” worden genoemd, een voorafspiegeling van Auschwitz, zoals de stalinistische samenleving er een latere variant van was. ,,Auschwitz, zei ik tegen mijn vrouw, is voor mij niet meer dan de wanstaltige uitwas van de deugden die men mij vanaf mijn eerste kinderjaren heeft trachten bij te brengen. Ja, reeds in die tijd, in mijn kinderjaren, toen mijn opvoeding ‘ter hand werd genomen’, begonnen de mensen mij op wrede wijze te vernietigen en begon mijn wanhopige strijd om te overleven.”

De nachtmerrie van heel die conditionerende dwang, die dril, dit ,,moeten” zonder meer, wordt verbeeld in de vader die, op weg naar de tramhalte, geen antwoord wil geven op de vraag van zijn zoontje waarom vader nooit een halte verder uitstapt om, tegen de rijrichting van de tram in, de kortere weg naar zijn bestemming terug te lopen. Maar de vader is onvermurwbaar in zijn ongemotiveerde principes. ,,Zijn antwoord luidde:Teruglopen doe ik niet . Ik vroeg: Waarom niet? Antwoord: Daarom niet. Daarop vroeg ik:Maar waarom dan niet? Nieuw antwoord: Dat heb ik je al gezegd: teruglopen doe ik niet. Ik voelde hoe veelbetekenend zijn vastberadenheid was, maar doorgronden kon ik die betekenis niet.” Het antwoord van de vader is een metafoor voor de onverbiddelijke wetmatigheid van een gezag — of het nu Duits, Hongaars of joods is — dat niet op respect maar op dwang berust, op een van zichzelf verzadigde macht die met niets minder dan met blinde aanpassing tevreden is. De maatschappelijke gevolgen van zo’n ,,familiaar” schrikbewind zijn niet te overzien. De beulen in de kampen zijn immers niet, zoals Dostojevski’s booswichten of Nietzsches ,,Übermenschen”, bewust aan de andere kant van de heersende moraal gaan staan, ze deden juist hun uiterste best om te handelen in overeenstemming met de verwachtingen van de heersende moraal toen ze begonnen te doden en te moorden.

Tijdens een gesprek dat we daarover hadden, zei Kertész: ,,De beulen in de kampen waren juist de onderdanigsten van de onderdanigen, mensen die zonder meer plooiden voor de heersende macht, die zich helemaal aanpasten aan de geldende wetten en die niet bij machte waren om ook maar het geringste uit eigen overtuiging te doen.” Slaven en heersers krikken de samenleving op tot een totalitaire hel waarin ook Köves, de ,,held” uit Het fiasco,is terechtgekomen. Rond al die obsessies die te maken hebben met macht, gezag en dwang en hun verhouding tot de cultuur, cirkelen de reflecties van de schrijver in de essayachtige dag- en reportageboeken Ik, de ander (1997) en (het nog niet vertaalde) Galeidagboek(1993).

Terugkomend op het Auschwitz-debat en de verfilmbaarheid van het onderwerp: tegen alle holocaustpuriteinen in nam Imre Kertész het op voor Roberto Benigni’s film La vita è bella . In die film slooft een vader zich uit om zijn zoontje het concentratiekamp voor te spiegelen als een plek waar het geluk niet helemaal afwezig is. Ook al kloppen de rekwisieten niet, toch zijn ziel en geest van de film authentiek genoeg om de tragiek van Auschwitz en de noodzaak om ons van Auschwitz te verlossen, op de kijker over te dragen. Kertész: ,,Deze film raakt ons aan met de kracht van de oudste tover, van het sprookje.” Kertész’ sympathie voor Benigni’s film mag niet verbazen. Want hoe had de jonge György Köves, de hoofdpersoon uit het wonderlijke meesterwerk Onbepaald door het lot , het kamp ook alweer ervaren? ,,Zelfs daarginds, bij de schoorstenen van Auschwitz, was er, als de kwellingen aflieten, iets geweest wat je met geluk zou kunnen vergelijken. Iedereen had het over ontberingen en ‘gruwelen’, maar die kleine gelukservaringen waren het belangrijkste geweest. Ja, als ze me weer van die vragen stelden, zou ik daarover vertellen, over het geluk dat je in een concentratiekamp kunt ervaren. Als ze er ooit nog naar zouden vragen, en ik dat geluk dan nog niet vergeten was.”

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online.
Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!

Dit bericht is geplaatst in Bibliotheken met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *