Hugo Claus: De verwondering (boekbespreking 24 mei 2011)

Biografie
Hugo Claus werd geboren op 5 april 1929 in Brugge, maar bracht zijn jeugd vooral door in Deinze. Hij was de oudste van vier zonen. Zijn vader was drukker en handelaar in schoolbenodigdheden. Zijn lagere schooljaren bracht hij op kostschool door. Zijn Grieks-Latijnse humaniora volgde hij aan het Koninklijk Atheneum van Kortrijk.

Op zijn 17de verliet hij het ouderlijk huis en ging samen met kunstschilder Antoon De Clerck in Sint-Martens-Leerne wonen. Hij schreef zich in aan de Gentse Academie voor Schone Kunsten en schreef gedichten, schilderde en droomde ervan acteur te worden. Hij verdiende wat geld als boekillustrator, als schilder van landschapjes en huizen, en als seizoenarbeider. Op 18-jarige leeftijd publiceerde hij zijn eerste dichtbundel.
Vanaf 1 april ‘49 vervulde hij zijn dienstplicht, gedeeltelijk als redacteur van het tijdschirft Soldatenpost (zijn sergeant was Herman Liebaers). Intussen had hij samen met enkele gelijkgezinden (L.P.Boon, Ben Cami, Jan Walravens, …) het tijdschrijft Tijd en mens opgericht en zijn eerste schilderijententoonstelling in de boekhandel van de Franstalige dichter Henri Vandeputte in Oostende gekregen.
Met zijn eerste roman in 1950, nl De Metsiers, kreeg hij meteen veel aandacht, zowel positief als negatief (omwille van het incestonderwerp). Hetzelfde viel hem te beurt bij de opvoering van zijn toneelstuk Een bruid in de morgen (1955).
Het begin van de jaren 50 bracht hij door in Parijs, waar hij in contact kwam met het surrealisme, het existentialisme en de Cobra. Hij woonde er samen met o.a. Karel Appel, Hans Andreus, Rudy Kousbroek en Simon Vinkenoog.
Na Parijs verbleef hij in Italië met zijn Nederlandse vriendin Elly Overzier, die er in films van o.a. Fellini acteerde. Ze trouwden in 1955 in het Brusselse Café Het Blommeke van Goud in papier, bleven in België (Gent, Nukerke) en kregen een zoon Thomas.
De daaropvolgende jaren werden druk, zowel op productief (romans, verhalen, gedichten, toneelstukken) als relationeel vlak (eerst kreeg hij een verhouding met Kitty Courbois die de hoofdrol in zijn toneelstuk Vrijdag speelde en voor wie hij naar Amsterdam verhuisde, daarna in 1974 met Sylvia Kristel voor wie hij naar Parijs verhuisde en met wie hij een zoon Arthur kreeg).
Uiteindelijk verhuisde hij in 1977 alleen terug naar Gent, waar zijn broer Guido sinds 1973 de ‘Hotsy Totsy’ uitbaatte, de artistieke privéclub, waar Claus broer en kind aan huis was. In 1983 verscheen zijn roman Het verdriet van België.
Op 12 juni 1993 trad Claus voor de tweede maal in het huwelijk met zijn vriendin Veerle de Wit. Ze woonden een tijd in Zuid-Frankrijk.
In 1996 werd aan de Universiteit Antwerpen het ‘Studie- en Documentatiecentrum Hugo Claus’ opgericht. Het was het eerste studie- en documentatiecentrum dat werd gewijd aan een nog levende schrijver.
Hugo Claus overleed op woensdag 19 maart 2008 in het Middelheim-ziekenhuis te Antwerpen. De schrijver leed zo’n twee jaar aan de ziekte van Alzheimer en koos daarom zelf het moment van zijn dood door middel van euthanasie via de organisatie Recht op Waardig Sterven.

Zeer beknopte bibliografie

1950: De metziers
1953: De hondsdagen
1955: De Oostakkerse gedichten (poëzie)
1955: Een bruid in de morgen (toneel)
1956: De koele minnaar
1958: Suiker (toneel)
1962: De verwondering
1963: Omtrent Dede
1969: Vrijdag (toneel)
1983: Het verdriet van België
1988: Een zachte vernieling
1996: De geruchten
1998: Onvoltooid verleden

(veel van deze titels zijn herwerkt tot toneel of verfilmd)

Personages

de leraar Victor-Denys de Ruyckel (was/is getrouwd met Elisabeth)
de leerling Albert Verzele
Teddy Martens
Sandra Harmedan (dochter van Richard en Alice) (hond Berthold)
Sprang
prefect
Crabbe, Vlaams ss-officier
de Keukeleire
Korneel van den Broucke
Fredine

Perspectief

Een fictieve schrijver noteert zijn levensverhaal op vier manieren:
1. zijn relaas voor de psychiater Korneel
2. zijn aantekeningen voor dit relaas van allerlei soort in zijn notaboek
3. zijn dagboek
4. de wij-teksten, waarin op een ironische toon, de gevoelens en opvattingen van de Vlaamse bevolking gedurende de Tweede Wereldoorlog beschreven staan.

Het kasteel Almout

Hugo Claus haalde zij inspiratie in het het reisverslag van Marco Polo, die dit, in gevangenschap in Genua, neerschreef. In zijn verslag vertelt Marco Polo dat de mysterieuze sekte der Assassijnen een leider had die Alaodin genoemd werd en wiens volgelingen hem op een uiterst fanatieke wijze toegewijd waren. Hun loyaliteit ging zo ver, dat zij regelmatig betrokken waren bij zelf-moordaanslagen die geen ander doel hadden dan het uit de weg ruimen van politieke tegenstanders.
Hoe kan dit fanatisme, dit blindelings opvolgen van Alaodins bevelen verklaard worden, vraagt Marco Polo zich af en hij komt dan met het volgende verhaal. Alaodin, een machtige, oude man bezat de grootste en mooiste tuin die er in de hele wereld te vinden was. Prachtige paleizen waren er in deze tuin en beken waarin behalve water ook wijn, melk en zelfs honing stroomden; mooie meisjes dansten en zongen er. Niemand had toegang tot deze tuin, behalve de twaalf- tot twintigjarige jongens die de oude man gerecruteerd had. Als hij een jongen voor zich wilde winnen, dan gaf hij hem een drankje met hasjisj en liet hem vervolgens in de tuin brengen. Als hij ontwaakte, had de jongeman het gevoel in het paradijs zelve te zijn, want de tuin leek op het hemelse paradijs dat de koran de gelovige na zijn dood in het vooruitzicht stelt. De oude man had echter minder fraaie bedoelingen: hij had de jongens in zijn paradijselijke tuin opgenomen, opdat zij gemakkelijk ertoe gebracht konden worden zijn vijanden te doden. Als hij er een wilde doden, dan liet hij een jongeman opnieuw van het hasjisjdrankje drinken en naar zijn paleis brengen, waar de jongeman de opdracht tot doden vernam. Als hij deze daad volbracht had, zou hij mogen terugkeren naar de tuin. Het verlangen naar de tuin was zo groot, dat iedere jongeman blindelings de bevelen van de oude man opvolgde. Zo oefende deze over een groot gebied zijn schrikbewind uit.
De tegenstanders van deze ‘fida’iyun’, van deze jongens die bereid waren hun
leven te geven, noemden hen denigrerend ‘hasjisj’iyun’, oftewel ‘hasjeters’. Het woord is in westerse talen verbasterd tot ‘assassin’ (Frans), ‘assassino’ (Italiaans) en ‘asesino’ (Spaans); in het Nederlands worden zij ‘Assassijnen’ genoemd. Het doel van dit geheime islamitische bondgenootschap was wellicht positiever dan men uit het bovenstaande zou opmaken, namelijk het scheppen van een rechtvaardige wereld. Dat doel was verbonden met de verwachting dat een in het verborgene levende imam (Mahdi) zou terugkeren. Het kasteel vanwaaruit de Assassijnen, die zichzelf ‘Nizari’ noemden, opereerden heet Alamut (meestal vertaald met ‘Adelaarshorst’) of Almout (‘Dood’) en nog altijd kan men in het Elburz-gebergte de restanten ervan vinden. Sinds ongeveer 1100 probeerden de Da’is uit Almout hun leer onder de mensen te brengen. Het kasteel Almout werd in 1256 door de Mongolen veroverd en geslecht.

(bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 120. Uitgeverij Verloren, Hilversum 2004, auteur Maarten Klein)

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online.
Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!

Dit bericht is geplaatst in Bibliotheken met de tags , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *