Herman Koch: Het diner (boekbespreking januari 2012)

A. Biografie
Koch is geboren in Arnhem, maar ging op zijn tweede met zijn familie in Amsterdam wonen. Hij was geen gemakkelijke jongen. In het Montessori Lyceum werd hij van school gestuurd. Toch wilde hij nog studeren: hij volgde drie maanden Russisch. En reisde veel. Hij bereikte op zijn manier heel wat.Koch is bekend als acteur, voornamelijk van de televisieserie Jiskefet, maar is ook schrijver en columnist van de Volkskrant. In 2005 schreef hij het dictee voor het Groot Dictee der Nederlandse Taal. Hij is getrouwd met de Spaanse Amalia en heeft een zoon Pablo (1994) en woont afwisselend in Spanje en Nederland. Koch schreef ook onder de naam Menno Voorhof.
Zijn roman, Het diner, is gebaseerd op de werkelijk gebeurde moord op een dakloze vrouw in Barcelona, Spanje. In december 2005 werd de zwerfster María del Rosario Endrinal Petit door drie jongens uit een fatsoenlijk milieu in het portaal van een bank mishandeld en daarna in brand gestoken. Koch won met het boek in 2009 de NS Publieksprijs.

B. Bibliografie
1985: De voorbijganger (verhalen, debuut)
1989: Red ons, Maria Montanelli
2000: Eten met Emma
2003: Odessa Star
2005: Denken aan Bruce Kennedy
2009: Het diner
2011: Zomerhuis met zwembad

C. Personages
o Paul Lohman X Claire, zoon Rick en geadopteerde zoon Beau
o Serge Lohman x Babette, zoon Michel
o …

D. Structuur en verhaalopbouw
(bron: http://www.scholieren.com/boekverslagen/28863)

Structuur en/of verhaalopbouw
De roman heeft een opzet in hoofdstukken die in relatie worden gezet met het opdienen van een vijfgangendiner in een duur restaurant. De delen waarin de roman is verdeeld,verwijzen naar de onderdelen van zo’n diner, nl.:
– Aperitief (ho 1-7)
– Voorgerecht (ho 8-15)
– Hoofdgerecht (ho 16-35)
– Nagerecht (ho 36-39)
– Digestief (ho 40- 45)
Daarna is er een soort epiloog die ook ruim na de dag van het diner wordt verteld. Dit hoofdstuk heet “De fooi.” (ho 46)

Doordat de maaltijd uit 5- gangen bestaat denk je bij de structuur automatisch aan de opbouw van een klassieke tragedie met de klassieke indeling van een expositie, intrige, climax (het hoofdgerecht) catastrofe (de ondergang van Serge) en de peripetie. Het hoofdstuk “Fooi” doet dienst als epiloog, waarin Paul na een aantal maanden de boel voor de lezer op een rijtje zet.
Bovendien kun je in de roman ook de drie Aristoteliaanse eenheden herkennen:
– de eenheid van tijd (alles moet binnen 24 uur worden afgehandeld) In de vijf hoofdstukken is er sprake van een vertelde tijd van enkele uren.
– de eenheid van plaats: er zijn geen decorwisselingen: alles speelt zich af in het restaurant
– eenheid van handeling: één thema staat centraal: hier de loyaliteit van ouders tegenover hun kinderen.
De structuur van deze roman is bijzonder hecht. Paul Lohman kondigt iets in een onbelangrijke passage aan in een hoofdstuk en je weet dan dat het element later zal worden ingevuld. De belangrijkste gebeurtenissen worden inderdaad in het hoofdstuk Hoofdgerecht verteld.
Deze manier van vertellen wekt veel spanning. Om de eenheid van tijd en plaats te kunnen handhaven, krijg je vanuit het perspectief van Paul te zien wat er in het verleden is gebeurd.
(de flashbacks over het incident met zijn zoons, zijn verleden als geschiedenisleraar en de ziekte van zijn vrouw)

E. interview in Delft Integraal met Herman Koch
(www.joostpanhuysen.nl/schrijverhermankoch2)
2010
‘Ik werk niet met succesformules’
interview in Delft Integraal met Herman Koch
In een cafe aan de rand van het Amsterdamse Science Park wil gastschrijver Herman Koch graag praten over zijn romans, over roem, over huisartsen. Over zijn geheime project blijft hij angstvallig discreet.
Maakt het voor u iets uit dat u door een Technische Universiteit bent gevraagd voor een gastschrijverschap?

“Ja. Toch wel. Een uitnodiging van een letterenfaculteit had ik waarschijnlijk afgewezen. Maar dit gastschrijverschap is voor mij iets nieuws: geen schrijfcursus, maar een project waarbij ik op een andere manier
creatief moet zijn. Meer op de techniek georiënteerd. En ik kan samenwerken met jonge geesten die al gewend zijn zo te denken.”

In de week voor uw openingscollege brengt u met de studenten een bezoek aan het Franse kasteel Clos Lucé om daar de uitvindingen van Leonardo da Vinci te bewonderen. Zo’n genie, is dat niet intimiderend?

“Nee hoor, waarom? Ik hoop dat zich daar alde eerste ideeën aandienen. Ik ben op zoek naar mensen met oorspronkelijke ideeën. Daarom kunnen studenten tijdens de audities voor de masterclass hun eigen, kleine vinding presenteren. Een beetje Idols-achtig.”
Rond het project hangt al maanden een waas van geheimzinnigheid. Waarom?

“Geen commentaar!”

U werkt aan een nieuwe roman. Voelt u enige druk om het succes van ‘Het Diner’ te herhalen?

“Daar moet je niet te veel over nadenken. Het enige zinnige wat je daar over kunt zeggen is dat het boek na de bestseller meestal goed verkoopt. Zelfs als het slecht is! De lezers haken dan bij je volgende boek alsnog af. Bij
mij speelt dat hele idee van je succes moeten evenaren helemaal niet. Ik denk alleen: ik moet nu iets anders doen, en zorgen dat het goed is.
En ik heb natuurlijk als schrijver al wat dingen gedaan. Ik ben geen jonge debutant die over dertig jaar te horen krijgt: nou, het niveau van ‘Het Diner’ heeft hij helaas nooit meer weten te halen! Het is eerder zo dat mensen mijn oudere boeken nu ontdekken.”

Wat zijn uw beste boeken?

“’Red ons, Maria Montanelli’ – mijn eerste roman – ‘Odessa Star’ en ‘Het diner’. En ‘Zomerhuis met Zwembad’, het boek waar ik nu aan werk. Dat zijn de romans waar ik mijn ziel in heb gelegd.”

Van ‘Het Diner’ zijn inmiddels 320 duizend exemplaren verkocht. Heeft dat succes ook nadelen? Kunt u bijvoorbeeld nog rustig mensen observeren?

“Het is allemaal wat minder rustig geworden, ja. Maar veel mensen deden al een beetje anders tegen me sinds de doorbraak van ‘Jiskefet’. Wildvreemde figuren blijken het leuk te vinden om op je af te stappen en even met je te praten. Sommige mensen willen ook graag aan anderen laten zien dat ze jou kennen.
Mensen hechten ook meer belang aan wat je zegt. Ook al is het f lauwekul.”Hij schiet even in de lach. “Als ik iets roep over een of andere buitenlandse kwestie waar ik net zo min verstand van heb als de rest, reageren sommigen toch heel serieus: hmm, interessant!”

In ‘Het diner’ laat u sommige dingen open. De ikfiguur heeft een mentale stoornis, maar we komen niet te weten wat hij mankeert.

“Die hoofdfiguur, Paul Lohman, wil niet in een bepaald hokje worden ingedeeld aan de hand van zijn aandoening. Het is natuurlijk ook een manier om het karakter van de hoofdpersoon duidelijk neer te zetten. Hij
is iemand die zijn privéleven wil beschermen. Zeker in de eerste hoofdstukken laat hij weinig over zichzelf los. Hij vindt het al vervelend genoeg dat zijn broer Serge een bekende politicus is. Die bekendheid maakt het voor Paul en zijn vrouw Claire heel moeilijk om een eigen beslissing te nemen over de toekomst van hun zoon.”

Hoe luidt de diagnose? Wat mankeert Paul?

“Dat heb ik bewust vaag gehouden. Ik heb gedacht aan bepaalde autistische aandoeningen, met name Asperger: hij heeft een zekere onverschilligheid ten opzichte van wat er met andere mensen gebeurt. Maar als ik dat zo expliciet had opgeschreven, hadden mensen geroepen: dit is een grove karikatuur, mensen met Asperger gedragen zich helemaal niet zo agressief en onberekenbaar als dit romanpersonage! In dat soort discussieshad ik niet zo’n zin. Ik heb wel aan een deskundige gevraagd of je in iemands dna duidelijke aanwijzingen voor zulke aandoeningen kunt vinden. Zijn antwoord was: nu nog niet, over vijf jaar wel. Dat is dus de enige science fiction die in het boek zit.”

Toen deed Michel een stap naar voren, hij sloeg zijn armen om me heen en drukte me tegen zich aan. “Lieve papa”, zei hij. (‘Het diner’)
Waarom koos u voor dat einde?

“Ik heb bij het schrijven steeds gedacht: die jongen heeft al heel vroeg besloten dat hij zijn vader tegen zichzelf in bescherming moet nemen. ‘Het diner’ gaat over ouders die zich afvragen hoe ze hun kind kunnen beschermen, maar hier zijn de rollen omgedraaid.”

De zoon zoekt op dat moment geen bescherming, maar wil de vader juist beschermen?

“Ja. ‘Ik heb dan wel een dakloze vrouw vermoord, maar ik weet veel beter hoe de wereld in elkaar steekt dan de man die daar nog raar om moet lachen ook.’ Michel is minder labiel en onberekenbaar dan zijn vader.
In een eerder hoofdstuk herinnert Paul zich hoe zijn zoon ooit een voetbal door de ruit van een fietsenwinkel had getrapt. Toen Paul de schade wilde vergoeden, bleef de eigenaar maar foeteren. Opeens was hij die man bijna
met een fietspomp te lijf gegaan. Ook dat hoofdstuk eindigt met Michel die zegt: ‘Lieve papa’. Hij is dan pas acht, maar misschien hebben die woorden al dezelfde lading als in het laatste hoofdstuk.”

De vader vertelt het verhaal. Hebt u overwogen om het perspectief te verleggen naar de zoon?

“Ja. Toen ik aan het boek begon, vroeg ik me al snel af of ik niet in een aantal hoofdstukken voor het gezichtspunt van Michel moest kiezen, om ook de zoon te begrijpen. Maar dat heb ik uiteindelijk toch niet gedaan, omdat ik juist het zelfbedrog van de vader wilde laten zien. Het enige moment dat het perspectief echt
wisselt is bij het beschrijven van de moord op de zwerfster. Dan ben je als lezer opeens helemaal bij die twee jongens. Je denkt: zo gedetailleerd kan het nooit aan de vader zijn verteld.”

Hebt u als schrijver vaste werktijden, een vaste werkplek, vaste rituelen?

“Ik werk ’s ochtends altijd een paar uur achter elkaar. Bijna altijd op dezelfde tijd. Een soort bijgeloof, maar ook praktisch en handig. Maar ik heb geen rituelen nodig om te kunnen schrijven. Ik zou ook wel kunnen schrijven op andere tijden en op een andere plek: ik kan me vrij makkelijk afsluiten van de buitenwereld. Maar ik werk bij voorkeur thuis.”

Draait u muziek tijdens het schrijven?

“Ja, ik maak playlists op mijn iPod – daar kun je trouwens de titels van mijn boeken nog in terug vinden: Diner1, Diner2… Het heeft te maken met een sfeer die je wilt oproepen. Een soundtrack, ja. Het kan iets heel nieuws
zijn of iets heel ouds, het kan zelfs muziek zijn waar ik niet zo veel mee heb. Bepaalde R&B en hiphop kan me in de juiste agressieve stemming brengen. Ik luister nu bijvoorbeeld veel naar een nummer van die Rotterdamse
rapper Winne.”

Beïnvloedt dat ook het ritme van de zinnen?

“Ja, zo werkt dat wel. Het boek waar ik nu aan werk is nog veel meer staccato dan ‘Het Diner’, zo van peng, peng, peng! Kortere zinnen. Wat ik ook graag hoor is het nummer ‘Your Ex-Lover Is Dead’ van de Canadese groep Stars. Aan het begin hoor je een acteur declameren: ‘When there is nothing left to burn, you have to set yourself on fire.’ Dat citaat wordt het motto van ‘Zomerhuis met zwembad’.”

Schrijvers zijn vaak huiverig om te praten over een boek dat ze nog moeten voltooien.

“Ik ook. Als je het verhaal te vroeg aan iemand vertelt, kan de urgentie om het nog allemaal op papier uit te werken opeens verdwenen zijn. Maar ik heb nu een slordige tweehonderd pagina’s geschreven. Ik ben nu wel zo ver dat ik er iets over durf te vertellen.’Ik ben huisarts.’ Dat is de eerste zin. De hoofdfiguur vertelt over zijn praktijk. En vervolgens blijkt dat één van zijn patiënten is overleden. Iedereen wijt dat aan een medische fout die
hij zou hebben gemaakt. Hij moet zich verantwoorden voor een medisch tuchtcollege. En hij denkt: laten we hopen dat het bij een schorsing van een half jaar blijft. Hij denkt ook: ik heb mijn daad bewust vermomd als medische fout, anders had ik dit niet kunnen doen. Ik heb iets gedaan, en hij heeft het verdiend.”

Wat heeft de overleden patiënt misdaan?

“Over de motieven van de huisarts kan ik niets zeggen. Daar moet de lezer straks zelf achter zien te komen. En de dokter zet je daarbij regelmatig op het verkeerde been. Net als je denkt zijn motieven te begrijpen, zet een
nieuw stukje informatie alles weer op zijn kop. Uiteindelijk gaat het er natuurlijk om of je zijn daad kunt billijken.”

Hoe kwam u op het idee voor dit boek?

“Ik vroeg me af hoe het is om huisarts te zijn, misschien was dat het begin. Je kunt je makkelijk voorstellen hoe het is om de chirurg te zijn die zegt: we gaan nu een incisie maken om te kijken wat er aan de hand is. Maar een beroep uitoefenen waarbij iemand bijvoorbeeld zomaar tegen je zegt: kunt u even naar mijn teennagel kijken? Dat voelt gewoon niet goed.”

Een huisarts zet zich daar overheen.

“Deze man lukt dat niet meer. Hij is geïnteresseerd in het menselijk lichaam als fascinerende machine, maar niet in de oppervlakte van dat lichaam. Schimmeltjes, zweterige plekjes – dat vindt hij allemaal afstotelijk. Zijn weerzin tegen bepaalde patiënten en aandoeningen neemt gigantische proporties aan. Hij heeft dan ook nog eens een patiëntenkring die grotendeels bestaat uit acteurs, schrijvers en beeldend kunstenaars. De huisarts wordt niet voor vol aangezien in dat kunstenaarsmilieu – net zoals Miriam, het vrouwelijke hoofdpersonage in een eerder boek van mij, ‘Denken aan Bruce Kennedy’. Die kunstenaars vinden zichzelf allemaal heel interessant, vinden dat ze overal recht op hebben, drinken te veel en kijken een beetje op de dokter neer. Als hij ze waarschuwt dat ze echt moeten stoppen met al die wodka, denken ze: gelukkig is er nog een andere huisarts waar we heen kunnen gaan.”

En die houding verhoogt zijn af keer van zijn patiënten?

“Enorm. Al heeft hij voor sommigen een soort bewondering.”

In ‘Denken aan Bruce Kennedy’ wordt Miriam bijna tot waanzin gedreven door echtgenoot Ben, een pretentieuze en eeuwig verongelijkte filmregisseur. Toch had ik medelijden met die man. Diep in zijn hart weet hij dat zijn films allang niet meer interessant zijn. Hebt u zelf ook mededogen met uw personages?

“Absoluut. Anders gaat het schrijven ook niet. Die Ben is een zak, maar hij doet toch zijn best. Of neem Serge, de succesvolle politicus in ‘Het diner’. In de beginhoofdstukken wordt hij door zijn broer Paul voortdurend neergezet als een botte lul. Uiteindelijk blijkt hij toch gevoeliger dan zijn broer denkt. Misschien zelfs intelligenter. Van de vier mensen aan de dinertafel is bij Serge nog het minst sprake van een dubbele agenda. Terwijl je dat bij een politicus juist verwacht.”

‘Denken aan Bruce Kennedy’ werd onder meer geprezen omdat het personage van Miriam geen karikatuur was. Hoe moeilijk was het om overtuigend vanuit een vrouwelijk perspectief te schrijven?

“Ik wilde het een keer proberen: een roman schrijven over een vrouw die zich gemangeld voelt in een verkeerd milieu. En dan van die vrouw geen dronken lor maken, zoals sommige schrijvers zouden doen. Wel een vrouw met zwakheden, die een echte, internationale beroemdheid als de acteur Bruce Kennedy wel heel erg interessant vindt. ‘Denken aan Bruce Kennedy’ is ook een beetje gebaseerd op een fenomeen uit mijn eigen leven. Je staat op een feestje en je merkt dat ze vooral jou moeten hebben. Je vrouw vinden ze altijd minder interessant: die is tenslotte niet beroemd. Tegen haar zeggen ze dingen als: Herman komt toch wel vanavond?
Het boek gaat over zo’n kunstenaarsvrouw en is aan mijn vrouw opgedragen. En aan de vrouw van Michiel Romeyn. Die verzucht ook wel eens: mij zien die lui niet eens staan!”

Vonden ze het een mooi boek?

“Jawel. Het was – om maar even die gruwelijke term te gebruiken – zeer herkenbaar voor ze.”

Bent u een schrijver die het belangrijk vindt om een breder publiek te bereiken?

“Ja. Als mensen tegen me zeggen ‘Ik ben niet zo’n lezer, maar dit boek kon ik bijna niet wegleggen’, dan is dat is voor mij het mooiste compliment. Ik schrijf geen thrillers, ik doe ook geen concessies aan de smaak van de ‘nietlezers’, en toch blijkt je boek dan toegankelijk te zijn voor een groot publiek. Ik ben niet iemand die met succesformules werkt. Eerder andersom: als ik merk dat in mijn nieuwe boek opnieuw sprake is van een moreel dilemma, vraag ik me toch even af: kan dat wel? Maar blijkbaar vind ik dat interessant. Het zat ook al in ‘Odessa Star’.”
OVER DE SCHRIJVER
Nog voor Jiskefet op de VPRO-televsie debuteerde, was er Red Ons, Maria Montenelli (1989), een roman waarin Herman Koch (Arnhem, 1953) afrekende met zijn Montessori-jeugd in Oud-Zuid en eer bewees aan Reve en Salinger. Hij schreef dat debuut in Barcelona, waar hij vijf jaar woonde. Die periode duikt later op in Eten Met Emma (2000). Het goochelen met feiten en verzinsels gaat in dat boek zo ver dat een nepcitaat van een fictieve Amerikaanse schrijver als motto is gebruikt. “Zet het naast een echt citaat en niemand merkt het bedrog op”, zegt Koch.
Vanaf Odessa Star (2003) kiest hij voor strakkere plots. Na een hernieuwde kennismaking met een sterk aan Klaas Bruinsma herinnerende vroegere schoolvriend laat de hoofdpersoon van deze pageturner zich meezuigen in het criminele circuit. Een fatale vergissing, vrees je als lezer al vanaf de eerste pagina, maar Fred Moorman wordt verteerd door de behoefte om te ontsnappen aan een saai leven. Een vergelijkbare wanhoop is in Denken aan Bruce Kennedy (2005) weer heel anders uitgewerkt. De doorbraak komt met Het Diner. Opnieuw mooie kritieken, maar nu ook spectaculaire verkoopcijfers. Koch, die met zijn vrouw en zoon in Amsterdam woont, is opeens bestsellerauteur.

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online. Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!
Dit bericht is geplaatst in Bibliotheken met de tags , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *