György Konrad: Geluk (boekbespreking april 2005)

geluk konrad 1geluk konrad 2Autobiografisch relaas over de vlucht van een joodse jongen in Hongarije voor de Duitse bezetter.

A. Biografie ( tot 2005!)

György Konrad (°1933) was de zoon van een welgestelde joodse ijzerhandelaar in Berettyoujfalu in de provincie Bihar (wiens hoofdstad nu Roemeens is). Hij en zijn drie jaar oudere zus groeiden op in een ontwikkeld en geassimileerd joods milieu.

Als ze in Boedapest weren, bezochten mijn moeder en tante ’s ochtends modeateliers en ’s avonds gingen ze naar de schouwburg. Als mijn moeder was teruggekeerd van zo’n reis, wilde ik tot in de kleinste details van haar horen wat de beste stoffen-, lingerie- en schoenenwinkels van Boedapest waren, zoals ik van mijn vader altijd wilde weten wat de sterke en de zwakke kanten van de grote hoofdstedelijke ijzerfabrieken en groothandels in ijzerwaren waren. Ik begreep al vroeg dat alles in het leven zijn rangorde heeft. (Geluk, p.37)

Al bij al kende György zorgeloze, gelukkige kinderjaren. Toch werd hij de dreiging van Hitler hoe langer hoe meer gewaar. Op 15 mei 1944 werd zijn vader door de Gestapo opgepakt. Zijn moeder volgde hem. De kinderen bleven achter.

We gingen nog wel een keer naar het … park, maar om de een of andere reden werd het steeds onaangenamer om met de gele ster op je jas buiten rond te lopen. In de blikken van veel voorbijgangers lazen we iets wat ons niet beviel. Degenen die ons het onbeschaamdst opnamen schenen te denken: Mooi zo, eindelijk krijgen jullie wat je verdient! De meeste mensen dachten waarschijnlijk alleen maar: Zou het hierbij blijven of komt er nog meer? O, worden ze gedeporteerd? Nou, van mij mag het. Er waren echter ook mensen die ons vriendelijk en meelevend aankeken, weliswaar zonder iets te zeggen en daarna hun tred versnellend. Solidariteit die zich snel uit de voeten maakte. Op den duur bleven we liever thuis om in de tuin te spelen, waar ik urenlang schommelde totdat ik duizelig werd. (Geluk, p.52)

Op 6 juni 1944 verlieten György en zijn zus hun geboorteplaats om zich bij familie in Boedapest te voegen. Pas in mei 1945 werd de familie herenigd.
Konrad studeerde taal- en letterkunde. Hij oefende nadien verschillende beroepen uit: redacteur, bediende bij de kinder- en jeugdbescherming, stadssocioloog bij het Wetenschappelijk Ontwerpinstituut voor Stedebouw, waar hij 1973 na een waarschuwing van de officier van justitie, werd ontslagen. Een jaar later werd hij omwille van een zogezegd staatsgevaarlijk manuscript voor de keuze gesteld: vluchten of blijven. Konrad koos uiteindelijk voor ‘innerlijke migratie’.

Waarom ik van mijn vaderland houd. Dat was de titel van een opstel dat we in maart 1945 moesten schrijven. Moest ik schrijven dat ik van Hongarije hield? Zo eenvoudig lag de zaak niet. Mijn vaderland had me immers willen vermoorden. Je hoort ook wel eens dat een vader zijn kind vil vermoorden. Ging ik er echter van uit dat het niet mijn vaderland was geweest dat me had willen ombrengen maar slechts een handjevol mensen, dan wilde ik wel eens weten wat het verschil was tussen mijn vaderland en het vaderland van de lieden die deze moorden op touw hadden gezet en uitgevoerd. … Ik was altijd zeer gehecht geweest aan mijn vaderland, aan mijn geboortegrond, die ik beschouwde als een goed plaats waar ik veilig was en waarvan niemand me kon verdrijven. Heb je echter ooit meegemaakt dat je uit je huis wordt verjaagd, dat dit mogelijk is, dat de mensen het dulden en gedeeltelijk ook toejuichen, dan voel je je in dat land later nooit meer zo thuis als vroeger, dan is er iets geknapt en zal de relatie nooit meer zo spontaan en nnig worden als voordien. Mijn zusje en ik probeerden ons na die lange terugreis weer thuis te voelen in het dorp, waar ons huis leegstond omdat onze ouders nog waren gedeporteerd. En op de vijftiende maart stond ik weer op het plein waar ik in mijn lagereschooltijd graag naar toe was gegaan om samen met mijn klasgenoten de nationale driekleur eer te bewijzen. (Geluk, p. 137)

In het begin van de jaren 80 was hij één van de leiders van de Hongaarse democratische oppositie. Hij nam aan bijna elke belangrijke bijeenkomst van de oppositie deel en hield vele lezingen. Hij werkte ook samen met buitenlandse oppositiebewegingen. Tot 1988 mocht hij niet in Hongarije publiceren.
In 1987 en 1988 doceerde hij wereldliteratuur aan het Colorado College. Van 1990 tot 1993 was hij voorzitter van de Internationale Pen Club. In 1990 werd hij ook eredoctor aan de Universiteit van Antwerpen, in 1997 voorzitter van de Kunstacademie van Berlijn-Brandenburg. Ook politiek bleef hij actief: hij is lid van de landelijke raad van de partij SZDSZ, sinds 1991 is hij voorzitter van het magistraat in Boedapest, en eveneens in 1991 was hij één van de oprichters van de beweging Democratish Charter.

Momenteel (nvdr. 2005) woont hij in een residentiële wijk in Boeda, samen met zijn derde vrouw Judit en zijn zonen Aron en Jozsef.

B. Bibliografie van de romans (tot 2005). Konrad schreef ook essays, …
1969: De bezoeker
1977: De stedebouwer
1986: De medeplichtige
1988: Tuinfeest
1992: Melinda en Dragoman
1994: De stenen klok
2001: Geluk (deel 1 van de memoires-trilogie)
2003: Zonsverduistering (deel 2 van de memoires-trilogie)
2005: Verdriet van de hanen (deel 3 van de memoires-trilogie

C. Personages
• Jozsef Kohn, zijn vrouw en hun kinderen György en Eva
• De neven Istvan en Päl Gabor
• Tante Gizella en oom Andor
• Tante Szofie, haar echtgenoot (psychiater) Gyula Zador en hun zoon Peter Plonyi
• Dhr en mevr. Dravida
• Laszlo Kun

Enkele uitspraken van György Konrad:

• De schrijver neemt toch al een gereserveerder houding tegenover zijn omgeving aan dan andere mensen. Het is een vertrouwde gereserveerdheid, een tweeslachtige verhouding tot alles wat hij gekregen en geërfd heeft, waarmee het lot hem opgezadeld heeft. In zijn kindertijd observeerde hij zijn speelkameraadjes waarschijnlijk reeds met ironische afstandelijkheid. De relatie tot zijn geboortestad is tamelijk paradoxaal. Hij droomt ervan, ook als hij ergens ver weg vertoeft. Hij bant hem uit zijn bewustzijn en dan plotseling bevindt hij zich weer daarginds, in het huis van zijn kinderjaren. Het bewustzijn is een grote grappenmaker. (G.Konrad, De schrijver en de stad, De Bezige Bij, 2004, p.44)
• Er zijn perioden in mijn leven die me interesseren als onderzoeker van mijn eigen biografie. In ‘Geluk’ duiken dezelfde mensen op als in ‘Tuinfeest’, maar onder een verschillend licht. Ik heb me in dit boek gewaagd aan het avontuur van de precieze, objectieve, persoonlijke geschiedenis aan de hand van de flarden van herinneringen die ik in mijn hoofd had… Het is waar dat een mens, naarmate hij ouder wordt, meer belang gaat hechten aan zijn kindertijd. (interview met Marc Holthof, De Tijd, 20 nov 2002)
• Op de vraag naar de zin van het leven, antwoordt ieder met zijn biografie. (bekend citaat uit zijn boek ‘De stenen klok”)

Enkele uitspraken over György Konrad:

• “De Hongaren die ik de afgelopen weken ontmoette, waren verbaasd over het literaire succes van Konrad in het Westen. Hier wordt hij vooral gewaardeerd om zijn politieke ideeën en essays. Zijn romans vinden ze eerder didactisch dan literair. “Hij is zeker niet de grootste schrijver, wel de grootste denker,” vertelde een Hongaarse me, “voor velen houdt hij het midden tussen een rabi en een heilige. Toen ik tien jaar geleden zijn essays las, vielen de schellen van de ogen.” (Lieve Joris, De melancholieke revolutie, Meulenhoff, Amsterdam, 1990, p.23)
• Het lijkt wel of Konrad zich gedurende zijn veertigjarig verblijf in het communistische Hongarije heeft verdiept in de kunst een toeschouwer te zijn, die de op dadendrang beluste medemens gadeslaat en beschrijft. Zijn roman is een soort taoïstische oefening in stilstand, waarin hij daden en verlangens afmeet tegen wat echt telt in een mensenleven. Konrads trage, lucide woordenstroom geeft daarbij een indruk van robuustheid. Zijn meditaties zijn stevig geworteld, zo niet in de geborgen jeugdjaren in het geboortedorp, dan zeker in de persoonlijkheid van de schrijver, die intelligentie en gevoel, boeken en minnaressen, schrijven, lezen, koken, drinken en seks moeiteloos tot een geheel verweeft. (Sofie Messeman in De Tijd van 26 juni 2004)

Enkele citaten uit ‘Geluk’:

• Toen ik bij de put stond, vroeg de dorpsgek van Berettyoujfalu, die vanwege een weddenschap ooit een emmer vol gestoofde bonen naar binnen had gewerkt, of hij mijn gele ster mocht hebben. De omstanders proestten het uit bij het horen van dit verzoek, dat erop duidde dat de man nog altijd even gek was als toen hij die weddenschap verloor. (Geluk, p.47)
• In de winteer van 1944-1945 heb ik heel wat lijken gezien. Ik stelde me soms voor dat ik binnenkort ook tussen de dode mensen zou liggen, wat een zeer onaangename gedachte was, maar gelukkig waren er altijd zo veel praktische beslommeringen dat ik niet veel tijd had om verder erover na te denken. Als je in levensgevaar verkeert, word je vanzelf praktisch. Meestal word je in zo’n periode slechts enkele ogenblikken met de dood geconfronteerd, bijvoorbeeld wanneer er een pistool op je voorhoofd wordt gericht. Op dat moment heb je inderdaatd het gevoel dat je leven aan een zijden draad hangt; Omdat een mens volwassen is zodra hij de dood onder ogen heeft gezien, ben ik sinds mijn elfde levensjaar volwassen. ….
Dood zijn is waarschijnlijk aangenaam, maar in levensgebaar verkeren absoluut niet. Soms heb je er overigens geen last van. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat je op en dakterras staat en jachtvliegtuigen boven je hoofd hun mitrailleurs afvuren terwijl je denkt dat er niets ernstigs aan de hand is en dat j e nog gerust wat kan glijdken op het ijsbaantje dat je daar hebt aangelegd door een paar emmers water over de stenen uit te gieren. Op hoge schoenen met ijzerbeslag kun je heerlijk glijden. Diezelfde gedachte – dat het allemaal wel meevalt – heeft me na de oorlog vaak voor melodramatische stemmingen behoed. (Geluk p.84)
• Ik ben dankzij een reeks gunstige gebeurtenissen in leven gebleven… De dood was niets bijzonders, een gebeurtenis waarop ik geen invloed kon uitoefenen, vergelijkbaar met de kans om bij het kaarten slechte kaarten te trekken en het spel te verliezen. (Geluk p.85)
• In plaats van het geweer uit hun handen te rukken, hadden ze zich als makke schapen laten wegbrengen. Veel mensen die het slachtoffer van gruwelijkheden worden, beschouwen het levensgevaar waarin ze verkeren als een onafwendbare lotsbeschikking, waarin ze het beste kunnen berusten. Het maakt voor hen geen verschil of hun bloementuin door een hagelbui wordt getroffen of dat iemand hun liquidatie beraamt; Zoals koeien of schapen eraan gewend raken dat hun soortgenoten een voor een naar de slachter verdwijnen, vindt de mens het na een tijdje heel gewoon dat zijn medemensen worden uitgeroeid. (Geluk, p.88)
• Een huis is zijn bewoners altijd ontrouw, want het gaat ofwel eerder verloren dan zij ofwel later, en dan biedt het andere mensen een onderkomen. (Geluk, p.121)

Enkele citaten uit andere werken van György Konrad:

• Ik prijs de voorzienigheid dat mijn moeder zich met deze halsstarrigheid van haar liet opsluiten en zodoende ons kinderen alleen liet. Daarmee heeft ze mijn vader gered, want ze is bij hem gebleven, en ook zichzelf, want de trein war ze in gepropt werden is per ongeluk in plaats van naar Auschwitz naar Oostenrijk gedirigeerd, waar een overlevingskans bestond van zestig procent. En daarmee heeft ze ook ons, haar kinderen, gered die als ze bij ons gebleven was, vergast zouden zijn. Ik zeker, Evike waarschijnlijk ook. In het jaar dat we op onszelf gebleven zijn, heb ik nooit verwijtend aan mijn moeder gedacht vanwege het feit dat we van elkaar gescheiden waren. De plaats van de vrouw is naast haar man. (Konrad, Zonsverduistering, p.57)
• “Onbekende Duitse soldaat,” antwoordden wij, “wij begrijpen dat het u grieft dat wij uw stoffelijk overschot niet met rust laten, al is rust misschien wat eufemistisch verwoord voor de ongemakkelijke houding waarin u ligt. …” (Konrad, Tuinfeest, uitg. Rainbow Essentials, p.40) (Cfr. Konrad, Geluk, p.109)

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online.
Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!

Dit bericht is geplaatst in Bibliotheken met de tags , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *