Gerard Walschap: Een mens van goede wil (boekbespreking januari 2014)

biografie walschapmens van goede wilBiografie
Jacob Lodewijk Gerard Walschap werd in 1898 in Londerzeel geboren als tweede in een gezin van negen kinderen. Zijn vader was herbergier/kruidenier en hield een café dat nog steeds onder de kerktoren wordt opengehouden.
In het middelbaar onderwijs volgde hij Latijn-Grieks, eerst in het Klein Seminarie in Hoogstraten, later in Asse. Daar werd zijn Vlaams bewustzijn gevoed. Hij wilde toen missionaris worden, en “grootse dingen doen en volkeren bekeren”. Geen wonder dat hij in Leuven filosofie en theologie ging studeren, maar algauw besefte hij dat hij toch niet voor het priesterschap en het celibaat in de wieg was gelegd en gaf zijn studies op.

“Walschap was zestien toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Hij was een kind van die oorlog. Hij heeft niet zelf gevochten, want hij zat toen in het klooster. Maar de mensen van zijn generatie konden niet naast de vernietiging en de miserie kijken. Walschap hield er een sterk humanistisch, pacifistisch engagement aan over. Hij wilde niet dat mensen door welke machten dan ook tegen elkaar werden opgezet.” (Jos Borré en Walter van den Broeck over Gerard Walschap in De Standaard der Letteren, 14 juni 2013, opgetekend door Toon Horsten)

Hij begon voor de weekbladen ‘Het Vlaamsche land’ en ‘Dietsche Warande & Belfort’ te werken en verhuisde daarvoor naar Antwerpen. Hij begon ook gedichten en toneel te schrijven.
In 1925 trouwde hij, tegen de wil van haar ouders, in Maaseik met Marie-Antoinette Theunissen (Minette) genoemd. Ze kregen 4 kinderen: Hugo, Guido, Lieven en Caroline (Clara).
Van 1927 tot 1939 was hij redacteur van het weekblad Hooger Leven dat in Averbode werd uitgegeven. In die periode bracht hij zijn literatuurvisie naar buiten… Hij was fel tegen ‘het Vlaams folklorisme, het regionalisme en het literatureluren’. Geïnspireerd door buitenlandse schrijvers als Dostojevski en Hamsun publiceerde hij zijn eerste volksromans. Omwille van zijn liefde voor de ‘vrije mens’ en zijn maatschappelijke betrokkenheid in zijn romans, kreeg hij hoe langer hoe meer kritiek uit katholieke hoek.

Walschap is zijn leven lang fundamenteel eenzaam geweest. Hij was existentieel eenzaam, want hij was tot de bevinding gekomen dat het heelal leeg was. De mens stond er alleen voor. Ook intellectueel was hij eenzaam. Hij had het gevoel, al van in zijn jeugd, geen gelijken te hebben. Hij moest het alleen doen, net als in zijn emotionele leven. Zijn huwelijk raakte vrij spoedig erg gespannen, het is bij momenten heel heftig geweest. Zijn vrouw Ninette en hij maakten veel ruzie. In 1942 was bij haar MS vastgesteld, en hij vond dat hij niet bij haar weg kon gaan. In 1959 heeft hij een tijd lang een (platonische) minnares gehad, Jeanne Laurent, die hem probeerde weg te krijgen bij zijn vrouw. Dat kon hij niet, en hij nestelde zich gelaten in die eenzaamheid. “Ik wil van binnen niet meer aangeraakt worden”, zei hij. (Jos Borré en Walter van den Broeck over Gerard Walschap in De Standaard der Letteren, 14 juni 2013, opgetekend door Toon Horsten)

In november 1936 krijgt Walschap de Driejaarlijkse Prijs van Nederlandse Letterkunde, wat veel voor Walschap betekende. In een brief daarover schreef hij:

“Ik heb helse jaren doorgemaakt, al de beendertjes werden mij vermorzeld, ik verwacht niet veel meer. Een erkenning als deze door u, is meer dan ik nodig heb om niet ergens te blijven liggen, maar voort te gaan”. Door die erkenning ook krijgt de publicatie van ‘Een mens van goede wil’ eind november dat jaar ook veel belangstelling. Dit boek had een bijzondere bedoeling, vertelde Walschap achteraf: “ik wilde de landgenoten die zich aan mijn werk hadden geërgerd, overtuigen van mijn rechtschapenheid. … In het beeld van Thijs wilde ik doen uitschijnen dat ik gedreven werd door een passie voor rechtvaardigheid en slechts prestige en macht zocht om weldaad te bewijzen aan mijn dorp… “ Toch kon hij voorspellen dat de “vrij openhartige seksuele gretigheid naar de jonge Thijs van Rosa de zedenprekers, zijn hardnekkigste critici, niet op betere gedachten zou brengen. Toch mocht hij haar beschrijven hoe hij wilde in haar erotische appetijt, want ze had immers duizenden Vlaamse zusters.” (citaten in deze paragraaf komen uit Jos Borré, Gerard Walschap, een biografie, p.280 en p.282)

In 1940 werd hij voorzitter van de onder druk van Duitsgezinden opgerichte Antwerpse kamer van Letterkundigen om te voorkomen dat collaborateurs de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen zouden overnemen. In datzelfde jaar werd hij tot aan zijn pensioen in 1963 inspecteur Openbare Bibliotheken.
In 1946 werd hij redactielid van het ‘Nieuw Vlaams Tijdschrift’ met Herman Teirlinck als hoofdredacteur en Hubert Lampo als redactiesecretaris.
Een tijdlang was Walschap voorzitter van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde waarvan hij in 1970 ontslag nam om plaats te maken voor de jongere generatie. In 1970 en in 1972 droeg de Academie hem voor als kandidaat voor de Nobelprijs voor Literatuur.
Hij stierf op 91-jarige leeftijd in Antwerpen als ‘baron’.

Beknopte bibliografie:

In totaal schreef Gerard Walschap ongeveer dertig romans. Bovendien was hij actief als essayist en toneelschrijver en schreef een aantal verhalenbundels en jeugdboeken.
1928: Waldo
1929: Adalaïde
1933: Carla
1935: De vierde koning (kinderverhaal, die vierde koning toont heel veel gelijkenissen met de schrijver zelf)
1936: Een mens van goede wil
1939: De familie Roothooft (= trilogie AdelaÏde, Eric en Carla)
1939: Houtekiet
1939: Het kind
1940: Vaarwel dan! (brochure)
1942: Denise
1943: De consul
1943: Tor
1946: Ons geluk
1950: Moeder
1951: Zuster Virgilia
1953: Oproer in Congo
1955: Salut en merci! (pamflet)
1963: Celibaat
1968: Het avondmaal

In 1993 werd het laatste, zesde, deel van zijn verzamelde werken uitgegeven.
In 2013 werden 3 verhalen gebundeld (Een mens van goede wil, Houtekiet en Celibaat) in ‘een mens van goede wil en andere romans’, Uitgeverij Bezige Bij
In 2013 verscheen eveneens de alom geprezen biografie van Jos Borré.

Personages:

*Thijs, Pol en Lieneke Glorieus: kinderen van Do en Dina
*Bovenmeester
*Let en Rosa van de Walhoeve
*Karel , de schoolmeester van Lephem
*oom Dolf
*de kapitein en zijn familie (onder andere dochter Corinne) waar Thijs ordonnans is.
*wij = de sprekers, de vertellers, de dorpelingen, …

Discussievragen:

1. Waar en wanneer speelt dit verhaal zich af? Is er veel couleur locale? Geeft hij de tijdsgeest goed weer?
2. Verklaar de titel.
3. Beschrijf de personages. Hoe ontwikkelen ze zich doorheen het verhaal?
4. Begrijp je het besluit van Thijs om met Let te trouwen? Beschrijf hun huwelijk.
5. Wie vertelt het verhaal,
6. Walschap ergerde zich aan het toen hoogtij vierende regionalisme en folklorisme, het zogenaamde “gestreuvels en getimmermans” en wilde een stijl die zich kenmerkte door een dynamische vaart en strakheid, waarbij afstand gedaan werd van elke uiterlijke verfraaiing en opsmuk.” (bron: Ik probeer mijn pen,Atlas van de Nederlandse letterkunde, 1979, Bert Bakker, p. 145). Hij wil geen geliteratureluur. Lees de eerste paragrafen van het verhaal nog eens. Klopt het met wat Walschap zegt? Is het volgens jou literair of niet?

Zijn strijd heeft Thijs op de ouderdom van acht jaren ingezet. Met een kat. Hij zat op een vroege zomerdag met zijn rug tegen de steenput in de schaduw van een vlier fluitjes te snijden. De lucht was korenblauw, het dak rood, de muur wit, met groene deur en blinden, de grond ervoor zwart van de sinteltjes, alles helder, rustig, vredig en Thijs dacht: ik ben blij. De kat zat al meer dan een uur half slapend te loeren op de rand van het lage dak; een halve meter onder haar had vader het kanariekooitje aan de muur opgehangen. Opeens viel ze met de kooi naar beneden, het kanarievogeltje vloog gek van hier naar daar. Thijs zag de kat het kleine gele diertje bij de kop door de tralies trekken. Ze verdween ermee. Al zijn bloed stond stil, hij werd vlak in het hart gestoken, de rand van de steenput verkilde in zijn rug tot een klomp ijs. Hij stond op, met loden benen; hij hijgde diep alsof hij aan de lucht die er was opeens niet meer genoeg had. Staande kon hij zich ook niet geduren. Hij ging en wist niet waarheen. Onbewust koos hij de richting van de beemd waar zijn vader wissen aan ’t snijden was. Maar hij over de gracht niet, waar hij honderden keren overgesprongen was. Hij volgde ze tot waar zij in de beek vloeit. Daar bleef hij zitten, moe, door een last gedrukt en hij dacht: ik heb pijn.

7. Hoe wordt de stad beschreven? En het platteland? En de mensen die er wonen?
8. Welke kenmerken dicht men de vrouw in die tijd toe? Geef voorbeelden.
9. Welke politieke/maatschappelijke ideeën komen aan bod?
10. Welke ideeën heeft Thijs over het leven?
11. In de Boekengids krijgt ‘Een mens van goede wil’ de zedelijke quotering II: “Mogen slechts bij uitzondering, om gegronde redenen, door welgevormde rijpere lezers worden gelezen.” Welke redenen, denk je?
12. Jos Borré zegt in het interview van De Standaard der Letteren van 14 juni 2013 dat Walschap ooit eens zei dat hij een geboren messias was. Ook bij Thijs vind je messiaanse trekken. Waar? (hoofdstuk 22)

“Hij wilde een boodschap uitdragen, gemeenschappen verheffen, en daarvoor op handen gedragen worden door het volk. Daar ging het hem om. Hij vond dat hij geen erkenning kreeg voor zijn verdienste. Hij had gehoopt een gevierd leider, verheffer en ontvoogder te worden. Hij kreeg natuurlijk de belangrijkste literaire prijzen, maar hij had ook op een soort algemene erkenning bij consensus gehoopt. Die kreeg hij niet. Wellicht was de erkenning die hij altijd heeft nagestreefd die van zijn vader. Zijn opstandigheid heeft altijd te maken met opstandigheid tegenover vaderfiguren en autoriteit.”

Enkele scènes uit het verhaal:

Hoofdstuk 8

Hij (de kapitein) wierp zich op boeken met de verse drift van een geslacht, dat nooit gelezen had. Hij begon met romans en las al wat hij in handen kreeg, zo maar, zonder voorkeur of onderscheid, mooie en flauwe. Hij werd ze beu en zocht meer prikkeling: niets meer dan detectiveverhalen, maar werd ook die plotseling beu. Hij begon namelijk het honderdtwintigste, wierp het weg, het eerste boek in zijn leven dat hij van zich wierp en verveelde zich een hele avond. Toen zijn vrouw thuis kwam schreide hij, maakte zijn beklag en alles zou weer worden als vroeger. Maar ’s anderendaags begreep hij al dat hij haar niet volgen kon, verveelde zich nog een avond en schafte zich een ander soort boeken aan: La femme dans l’art, La femme et l’amour, le problème sexuel, Perversités antiques, Le nu. Die verveelden hem nog sneller dan de detectiveverhalen. Op zekere avond begon hij te schrijven: Mémoires d’un suicide. … Toen liet hij alles liggen en kocht boeken over filosofie. Hij zocht en zocht tot Montaigne, Rousseau, Diderot, Voltaire hem bevredigden……

Hoofdstuk 9:

Thijs is voor haar het domme volk, dat niet begrijpt, duldt en niet durft. Zij is voor hem een van de verwaaiden in dit huis vol gekken en verlopenden en hij weet niet waar en hoe aan de redding te beginnen.
’s Nachts ligt hij zich moe te peinzen. Hij begrijpt niet. Soms ziet hij de wereld beheerst door gedachten. Hij tracht ze te ontwarren en het gaat niet. Hij zou naar de kapitein willen gaan en hem zeggen niet meer te denken, dat dient tot niets. Dat ontdekt hij de liefde, ze regeert alles. De kapitein moet weer bij madam slapen, dan zal anders veranderen. Hij zou allen in huis een goed bed willen spreiden en hen zeggen: daar heb ik nu voor gezorgd, nu moet het ook gedaan zijn met dat gewring. Zijn inzichten vervagen steeds weer, hij ontdekt telkens wat nieuws. De wereld verdeelt zich in rijke mensen die niet gelukkig zijn en in arme mensen, die gelukkig zouden zijn als ze maar rijk waren.
Laat de kapitein maar eens manden gaan vlechten als het in Brabant zo goed is en de eenvoudige mensen er het beste aan toe zijn. Do Glorieus zal wel kapitein spelen en geen last hebben van wat hij weet. Thijs zal wel aan de universiteit studeren en er geen twee jaren per jaar over doen. Urenlang tobt hij over de bewering van de kapitein dat er niets bestaat en dan onderzoekt hij het anarchisme van mademoiselle Corinne.

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online.
Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!

Dit bericht is geplaatst in Bibliotheken met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Gerard Walschap: Een mens van goede wil (boekbespreking januari 2014)

  1. Ann Vandamme schreef:

    On 2014-01-30 14:25, Jos Borre wrote:
    Geachte mevrouw Vandamme,

    Hartelijk dank voor uw bericht over het succes van _Een mens van goede
    wil_ in uw leeskring. Het doet ons erg veel plezier dat mensen uit
    zichzelf ontdekken (dus zonder dat wij ze ervan moeten overtuigen) dat
    een aantal boeken van Gerard Walschap, zijn romans en zijn misschien
    minder bekende essays, nog altijd vele lezers kunnen aanspreken. Als
    kandidaat-Walschaplezers mij vragen welk boek van hem ze moeten lezen,
    zeg ik altijd dat ze zeker niet als eerste _Houtekiet_ moeten lezen,
    nochtans zijn bekendste roman. Daarin creëert Walschap een wat
    aparte, bijna mythische ‘vrije’ wereld, als de bekroning van een
    evolutie die hij doormaakte in de jaren dertig, en het is van belang
    dat men _Houtekiet_ leest met een zicht op die evolutie. Dan begrijp
    je het boek veel beter. Wat dan wel? _Een mens van goede wil_, ja,
    goed gekozen, en _Ons geluk_ misschien, omdat daarin veel van hem
    zelf, zijn positie als kunstenaar en zijn eigen huwelijksleven
    herkenbaar is. En _Zuster Virgilia_ vind ik echt een heel mooie roman.
    En wie eens een felle Walschap aan het woord wil zien, zeg ik ook,
    moet maar eens zijn (dunne) pamflet _Salut en merci_ lezen. Dat komt
    ook vandaag nog heel krachtig over.
    Enfin, dit alles omdat wij zo graag door u bevestigd zien wat wij, van
    het Gerard Walschap Genootschap, tegen zoveel mogelijk lezers willen
    zeggen: die Walschap, die kon wel schrijven.

    Wij hopen dat de leden van uw leeskring deze leeservaring als een
    aanzet zullen zien om nog wat meer Walschap te lezen en te ontdekken.
    Mocht het Genootschap u daarbij op welke manier dan ook van dienst
    kunnen zijn: graag.

    Vriendelijke groet,

    Jos Borré

    Voorzitter Gerard Walschap Genootschap

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *