Erwin Mortier: Marcel (boekbespreking januari 2006)

Biografie en bibliografie:

 

Erwin Mortier (1965) komt uit Nevele. Hij studeerde kunstgeschiedenis en werkte vanaf 1991 als wetenschappelijk medewerker aan het Gentse Museum voor de Geschiedenis van de Psychiatrie.

Sinds 1999 is hij schrijver van beroep. Hij levert regelmatig bijdragen aan het dagblad De Morgen, literaire tijdschriften en werkt aan het radioprogramma van zijn vriend Lieven Vandenhaute (van Studio Brussel: vroeger ‘De lieve lust’, nu ‘Republica), met wie hij trouwens in Gent woont. Kleine noot: de ‘betoverende’ verschijning van Lieven Vandenhaute inspireerde Reve op een personage in zijn laatste roman ‘Het hijgend hert’.

In 2005 aanvaardde hij voor een periode van twee jaar het Gentse stadsdichterschap.

 

1999: Marcel (bekroond met o.a. Het Gouden Ezelsoor voor het beste debuut in 1999)

2000: Mijn tweede huid

2001: Vergeten licht: poëzie

2002: Sluitertijd

2002: Vergeten licht: poëzie

2003: Pleidooi voor de zonde : essays

2005: Uit een vinger valt men niet: poëzie

2005: Naar nergens smaken – het scheppen van de schrijver (bij literarte)

 

 

Thematiek:

 

*Marcel gaat over collaboratie. Veel Vlaamse auteurs schrijven daarover, zoals bijvoorbeeld Hugo Claus in ‘Het Verdriet van België’. Doordat Mortier het verhaal vanuit het gezichtspunt van de jongen vertelt, wordt het geen moment zwaar op de hand. Integendeel: het is regelmatig erg grappig. Erwin Mortier weigert een oordeel te vellen over goede en foute mensen. In zijn boek stelt hij de liefde tussen mensen centraal, ook als zij verkeerde beslissingen nemen.

*Meer nog dan om de collaboratie gaat het in Marcel, gesitueerd op het snijpunt van de jaren ‘60-’70 (tijd van de Beatels), om de repressie. De levens van de familieleden en bekenden van de grootmoeder van Marcel worden ook dan bovenal bepaald door de straf, die hun na de oorlog is opgelegd. Die zorgt nog altijd voor verdeeldheid. Zo heeft het eeuwige gebekvecht tussen de families van de grootmoeder en de grootvader vooral een ideologische achtergrond. In deze ‘verdoken treurnis’ situeert Mortier zijn roman. In onderwerpskeuze, maar vooral in de stijl lijkt Marcel precies te passen in het kleine oeuvre van Erik Vlaminck die werkt aan de romancyclus over ‘gewone’ mensen in Vlaanderen die eveneens achtervolgd worden door hun verleden.

 

Wie is Marcel? 

Het duurt lang voordat Mortier iets over hem onthult. “Die jongen ligt daar nu al zolang alleen. Hij heeft ons gered van het bolsjewisme” (p.23) “De kleine vissen zijn altijd het slachtoffer”, klinkt het 20 pagina’s later. “Rechtvaardig is anders, maar wat kan een mens eraan doen?”, vraagt de grootmoeder zich halverwege de roman af. Pas tegen het einde wordt duidelijk dat Marcel, op 24-jarige leeftijd, is gestorven aan het oostfront. Hij is de Vlaamse nationalist die als Kameraad SS Grenadier Marcel Ornelis in 1943 in Milowitz verzeilde. Omdat hij weigerde de eed van trouw af te leggen aan Hitler, gold hij als politiek onbetrouwbaar. Hij streed ‘voor ons Vlaanderen, niet voor de Snor.” Als kanonnenvoer is hij naar Rusland gestuurd. De achterblijvers leven nog steeds vol wrok. “Ze hebben ons genoeg gekloot,” herinnert grootmoeder Andrea zich. Ze geeft al op de nieuw Vlaamse helden van het laatste moment toen de Duitsers waren gevlucht en vindt in de stoffenleverancier voor haar naaiatelier, de oude Maurice Beernaerts, een bondgenoot. Met een bel cognac in de hand –“Het giet goed naar binnen”- reageert hij zich af. “De zaak staat verdomme nog altijd op naam van mijn broer. Ik heb genoeg geboet,”, waarop de grootmoeder ten slotte voor zich uit murmelt: “Ja, Maurice, ja, terugkeren zullen ze niet.”

  

Andere personages:

 

Grootmoeder Andrea Ornelis

Hulp Stella (gehuwd met Lucien)

De oude stoffenleverancier Maurice Beernaerts (gehuwd met Agnes, één zoon Leon)

Juffrouw Veegaete, Meester Norbert, Louise,

Linda

Tante non (Cécile)

Anna, Cyriel en neef Wieland

Verschillende personages krijgen geen naam: ik-figuur, grootvader, …

 

 Enkele vragen:

  1. Hoe zou je de ik-persoon beschrijven?
  2. Hoe ziet de jeugd van de ik-persoon eruit ?
  3. In het verhaal wordt er vaak op de tegenstelling stad-platteland gewezen. Hoe? Kun je je daarin vinden?
  4. Is dit een ‘Vlaams’ boek? Waarom?
  5. Wat vind je van het taalgebruik?
  6. Wordt  er stelling genomen door de schrijver? Zo ja, welke?
  7. Welke rol speelt Juffrouw Veegaete in dit verhaal?
  8. Hoe eindigt het boek?

Enkele citaten:

 

*Erwin Mortier vraagt zich in een interview met Stefanie de Jonge (Humo, 2 maart 1999) af waar de roep om grotestadsliteratuur door ingegeven is:

 

“We hebben niet eens een grootstad. We zijn een universele verkaveling van Oostende tot Maaseik, één allesomvattend boerendorp. Waarom moet je zo op de essentie van je eigen bestaan neerkijken? Het dorp als samenlevingsvorm is de taaiste, meest verbreide levensvorm op deze planeet, en is bovendien dramatisch heel interessant.”

 

 

*Erwin Mortier in een interview met Onno Blom (DS, 16 juni 2002).

 

 “Het spreekwoord luidt: een Vlaming wordt geboren met een baksteen in de maag. Ik voeg daar altijd aan toe: en met een gazon in zijn hoofd. De millimetrering van de geest is schrikbarend. Alles wat boven het niveau van de doorsnee haag dreigt uit te steken, dat moet genivelleerd worden. In Vlaanderen is het een compliment als men van je zegt dat je een makkelijke jongen bent. Of een propere jongen. Dat betekent dan waarschijnlijk dat je niet op het tapijt plast en de wilskracht hebt van een dweil. Je mag vooral de scherpe kantjes van je persoonlijkheid niet laten zien, dan ben je meteen een moeilijke jongen of een arrogante klootzak. Het is allemaal heel parochiaal. Soms wordt het gedoogd. Als schrijvers wel zeggen waar het op staat, wordt direct gezegd: ‘Ah ja, da’s een kunstenaar.’ En daarmee is het meteen geneutraliseerd.”

 

 

*Jeroen Overstijns (DS, 7 september 2000)

 

“Subtieler en suggestiever dan zijn collega-schrijvers hing Mortier een heel traditionalistisch beeld van klein Vlaanderen op. Het is een beeld dat blijkbaar nog altijd werkt, ook bij het Nederlandse leespubliek, hoezeer het stilaan ook begint te ruiken naar Bokrijk. De gevoelige stijl werd Mortiers handelsmerk. Bijna alle jonge Vlaamse schrijvers kampen met een acute stilistische vormeloosheid, maar Marcel kampte veeleer met een stijlteveel.”

***

 

“Zijn sensitiviteit wordt woordenkramerij, regelrecht verbale Biedermeier”

 

 

*Erwin Mortier in ‘Naar nergens smaken’

 

Opschrijven wat je gedaan hebt is niet moeilijk. Maar hoe zeg je hoe het met je gaat? ‘Goed’ is zo simpeltjes. ‘Slecht’ klinkt onrustbarender dat hij zich voelt en ‘ziek’ zegt niets over de ravijnen van de koorts, de afdaling in het fornuis van de hel en het ineens duizenden meters opstijgen naar de besneeuwde Himalaya. Op school zegt de meester dat er in zijn opstellen niets gebeurt. Maar er gebeurt zoveel. Onder de korst van de woorden smeult een veenbrand. Hij zoekt naar woorden die beter zijn dan goed of slecht of ziek of griep. Zijn pen –iedere avond moet hij ze van de meester schoonwrijven met een bevlekt stuk handdoek –wordt in zijn handen een spade.

 

***

 

Met schrijven ben ik begonnen om het vergankelijke te redden van de taal. Ik was erg naïef wat dat betreft. Ik heb voor het eerst iets opgeschreven de dag voor ik buiten mijn geboortedorp op school moest. Mijn kindertijd was voorbij, voelde ik, en ik wilde mijn geluk bewaren. Ik heb nog het voorrecht gekend te mogen opgroeien omringd door veel verleden. Onder het dak van mijn grootouders’ huis verbleven vier generaties, hun geheugen overbrugde een eeuw. Ze hebben me gekoesterd en gestraft, getekend en gevormd. Ze hebben me gevoelig gemaakt voor de nu eens overweldigende pracht, dan weer donkere gruwel van onze soort. Uiteindelijk blijven we onbekende werelden. Een andere dampkring dekt ons toe. Onbekende zeeën klotsen door onze wervels. We delen het leven niet met de anderen, we kerven het in elkaar. Het belangrijkste leesteken is het litteken.

 

 

————————————————————————————-

Lucas Vanclooster, recensie in DS 25/2/1999 

Hoop op oogst o Vlaanderenland

 

Verbluffende debuutroman van Erwin Mortier

 

Misschien had Meulenhoff beter nog een jaar gewacht met de publicatie van Marcel, de verbluffende debuutroman van Erwin Mortier. Dan had ik het kunnen hebben over een nieuwe eeuw, een nieuw geluid. Al op de eerste bladzijde verrast de jonge Vlaamse auteur Erwin Mortier (Nevele, 1965) met een filmische beschrijving van een oud huis, een landschap, en met een quasi achteloos neergeschreven zinnetje als ,,de kelder bewaarde, de zolder vergat”. 140 bladzijden lang houdt hij de belofte vol. Marcel is een knappe kleine roman, in onmodieus rijk Nederlands tot een verrassende en aangrijpende plot gecomponeerd, vol nostalgie, bittere Vlaamse collaboratiegeschiedenis en hilarische humor.

Marcel is een gesneuvelde oostfronter. De ik-persoon, zijn negenjarige naamloze achterneef, wordt opgevoed door zijn grootouders, ex-collaborateurs. Grootmoeder is de oudste zus van de diep betreurde held. Oma en opa hebben elkaar leren kennen na een vooroorlogs nationaal zangfeest in een brasserie, waar ze aan de uitbater vroegen om zijn prijskaarten te vervlaamsen. Zo werd een ,,soufflé grand marnier” een ,,opgeblazen matroos”. Was grootvader zijn hele leven weinig meer dan een opportunistische meeloper, dan behoort zijn vrouw tot een fel-idealistisch en semi-intellectueel Vlaams milieu, afkomstig uit een verre landelijke uithoek in Oost-Vlaanderen, maar hevig verlangend naar de stad. Een paar familieleden en kennissen hebben de sprong naar een buitenwijk van de provinciehoofdplaats gewaagd, om er een erg dorpse tabaks- en papierwinkel of een groothandel in stoffen te drijven. Anderen zijn na een mislukt verblijf in Brussel weer buiten aanbeland, onder meer de ongetrouwde onderwijzers Veegaete.

Erwin Mortier laat een omvangrijke familiefoto opdraven: levende en half-overleden ooms, neven, nichten en tantes, maar vooral enkele prominent aanwezige doden.

Het sterke verhaal laat zich op twee tijdsniveaus lezen. Het nu, gesitueerd begin jaren zeventig, baadt nog in een achterlijke sfeer die aan de fifties doet denken. In de Ford Anglia hangen veiligheidsgordels, het boek Wierook en Traangas prijkt op de plank, de pastoor draagt nog een soutane, de jeugd al gekleurde slips, terlenka broeken en lang haar dat oogontstekingen veroorzaakt. Maar met hun van wrange woede doortrokken verhalen nemen de oudere personages de kleine neef – en de lezer – voortdurend mee naar de jaren vlak voor, tijdens en net na de oorlog.

Mortier suggereert dat de familie zwaar is getroffen door de repressie. Hij schetst een welhaast parallelle samenleving en economie van solidaire ex-collaborateurs die hun ideeën nooit hebben verloochend, en die hun doden koesteren. De grootmoeder is de spin in het web van niet vervulde dromen en mislukte avonturen. Iedere week stoft zij het aangroeiende peloton fotolijsten van de clan in een ijzeren hiërarchische volgorde af. De negenjarige getuige raakt almaar sterker in de ban van het verleden, ook omdat iedereen beweert dat hij zo goed op Marcel lijkt, die ergens in bevroren sovjetgrond rust. Marcel wordt een gesublimeerde vader-figuur.

In acht afgemeten hoofdstukken strooit Erwin Mortier met subtiele details, onduidelijke puzzelstukken, verkeerd begrepen of half-doorgedrongen insinuaties en duister gefluister, evenveel bouwstenen van de beklemmende ontknoping. Pas in de allerlaatste alinea vloeit uiteindelijk alles samen, en brengt de ik-figuur het enige eerherstel dat Marcel kon krijgen. Op die manier gaat het cyclisch van begrafenis naar begrafenis. Ontroerend hoe de kleine scholier, vertrekkend van een vervaagde foto van Marcel, een humane geschiedenis bouwt rond zijn grootoom en hem uiteindelijk in vrede laat rusten. Schijnbaar achteloze details en geestige opmerkingen krijgen in de loop van de novelle een verklaring: waarom er in de tuin van de grootouders tussen bloemen en heesters, altijd weer aardappelen opschieten, bijvoorbeeld.

De collaboratiesfeer krijgt langzaam vorm, van de kleine replica van de IJzertoren tussen de foto’s, de kapotgeslagen knieën van grootvader, tot de brief met als poststempel een adelaar met swastika. Op alweer een begrafenis van een foute oom ,,zwaaide een schare gekniebroekte jongelingen zo dapper met leeuwenvlaggen dat er een stevige bries door het kerkschip woei”. De geslagen familie is vooral niet te spreken over rijke nieuwe-orde-aanhangers die op tijd hun kazak draaiden – vlasfabrikanten, die de stof mochten leveren voor de gestreepte plunjes in het concentratiekamp. Opvallende symboliek ook van Mortier als hij het over de tuin heeft, over planten en wieden, over aarde en zaden in de grond (hoop op oogst o Vlaanderenland).

Intussen wordt de wereldvreemde knaap ook emotioneel ingewijd. Hij verbaast zich over de voluptueuze vormen van zijn lerares, juffrouw Veegaete, die haar jurken en bloezen laat maken in het artisanale naaibedrijfje van zijn grootmoeder. Hij is haar lieveling, maar op het einde van het schooljaar laat ze hem ,,wreed” vallen. Haar Franstalige Brusselse nichtje brengt hem in verwarring als hij haar op zolder – zijn lievelingsplek en vluchtoord waar ook de zware kleren hangen van de overledenen – een suikerneus, een ,,cuberdon”, aanbiedt, en het verwende nest als het ware onder het fruitbloed raakt. Ook ontluisterend is de les tongzoenen die de jongen krijgt van zijn oudere neef Wieland (!). Voor dit alles vindt Mortier altijd precies de juiste woorden. Zijn enigszins archaïsche taalgebruik is nooit gratuit en de dialogen, soms in ,,verbeterd” dialect (,,geen beter scharen dan Sheffield Stiel”) en doorspekt met landerige dooddoeners en volkse wijsheden (,,natuurlicht bedriegt niet”), wijzen op de moeizame communicatie en de loden last van het verleden in de gesprekken.

Enkele passages maken kans klassiek te worden, onder meer die in het naaiatelier waar juffrouw Veegaete haar bloezen en rokken komt passen, het bezoek aan de onvermijdelijke tante non (,,het anemisch knaagdier des Heeren”), de weelderige culinaire Vlaamse boerenfestijnen en de bijpassende spijsverteringsproblemen. ,,Af en toe steeg uit haar inwendige een donker geklok op, alsof in de diepten van haar buik, onder haar florale rok, een dikke pap van grot naar grot droop”.

Psychologisch klopt het portret van het kind niet altijd. Het is zeker geloofwaardig dat hij in de klas en in het naaiatelier – de twee milieus vloeien ,,naadloos” in elkaar over – gluurt naar en fantaseert over de witte dijen en de marmeren billen van zijn juf, de enige min of meer aantrekkelijke vrouw in zijn biotoop. Maar de fantasieën over haar borsten en tepels komen allicht op de eerste plaats uit de pen van de auteur. En of een jongen van nog geen tien bij de foto van een pafferig individu in Waffen-SS-uitmonstering zou denken aan ,,een kruidenier die soldaatje speelt”, vraag ik me ook af. Af en toe laat Mortier zich meeslepen door de eigen ongebreidelde taalvirtuositeit (er is geen ander woord) en de lezer voelt dat de auteur zich met een aantal groteske scènes zelf kostelijk heeft geamuseerd. Hilarisch is de mise-en-plis die de grootmoeder krijgt met behulp van warme lucht uit een wel onverwacht hulpstuk: ,,Met een air van gewicht liep Stella op de stofzuiger af en drukte op de knop alsof ze een nieuw type raket mocht lanceren.” Niettemin, Hitchcock zei het al: ,,kill your darlings”, en de man wist iets af van structuur en spanning. Zo leiden in Marcel een handvol foutjes en overdrijvingen de aandacht soms iets te lang af van een verder uitzonderlijk sfeervol, sterk uitgewerkt geheel. De vele geestigheden die de naïeve blik van de jongen vangt, relativeren het beladen thema. Marcel laat verlangen naar meer van de jonge Erwin Mortier… tot ver in de volgende eeuw.

 

 

 

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online.
Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!

Dit bericht is geplaatst in Bibliotheken met de tags , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *