Edgar Hilsenrath: De nazi en de kapper (boekbespreking april 2010)

Biografie
Edgar Hilsenrath werd in 1926 in Leipzig geboren in een welgestelde koopmansfamilie van geassimileerde joden. Zijn vader kwam uit Galicië, zijn moeder uit de Bukowina. Met de komst van Hitler kwam een einde aan het zorgeloze leven. Hilsenrath herinnert zich hoe zijn onderwijzer een varken op het sc
hoolbord tekende en dat een jood noemde. In ’38 ontvluchtte het gezin het naziregime: zijn vader naar Frankrijk, zijn moeder met haar twee zonen naar Bukowina. Ze overleefden de oorlog in het getto van Mogilev-Podolsk aan de Dnjestr.

Na de oorlog ging Hilsenrath naar Palestina. Toen duidelijk werd dat dit Beloofde Land in twee gesplitst zou worden, vertrok hij. Hij wilde geen oorlog tussen joden en Arabieren . Vervolgens werd hij met zijn familie herenigd in Frankrijk, publiceerde er zijn eerste teksten, en leefde er goed op los (Tientallen jaren later kwam daar plots een ‘zoon’ te voorschijn). In 1951 verhuisde hij naar New York, waar zijn schrijverscarrière langzaam maar zeker gestalte krijgt. Er wordt gezegd dat hij overdag als kelner leefde, en ’s nachts aan zijn eerste gettoroman ‘Nacht’ schreef.

Maar Hilsenrath wilde succes in het land van zijn moedertaal en vestigde zich in ’75 in Berlijn. Op zijn eerste gettoromans zaten de Duitsers niet bepaald te wachten. ‘Nacht’ en ‘De nazi en de kapper’ kwamen eerst in het Engels uit. Met zijn roman over de genocide van het Armeense volk ‘Het sprookje van de laatste gedachte’ lukte het hem wel. In 1989 kreeg hij hiervoor de belangrijke Alfred-Döblinprijs.

In Berlijn lijkt deze rusteloze Einzelganger eindelijk zijn rust gevonden te hebben. In 1978 ontmoette hij er Marianne Boehmer, waarmee hij 18 jaar later trouwde. Hij leeft van zijn pen, en is een internationaal graag geziene gastspreker.

Bibliografie (van de boeken die in het Nederlands verschenen zijn)
1964: Nacht (waarin in een getto de Roemeense jood Ranek langzaamaan al zijn scrupules verliest. Als Ranek bijvoorbeeld hoort dat zijn eigen broer met tyfus besmet is, gaat zijn eerste gedachte uit naar de gouden tand. Hij bemachtigt een hamer en slaat de mond tot moes, onder de verbijsterde ogen van zijn schoonzus. )

1977: De nazi en de kapper

1989: Het sprookje van de laatste gedachte (“Ik ben de sprookjesverteller in je hoofd. Noem mij meddag. Ik zal je het sprookje vertellen van de laatste gedachte. Ik zeg dan tegen je: Er was eens een laatste gedachte. Die zat in de laatste angstkreet en had zich daar verstopt. Die had zich daar verstopt om met de laatste angstkreet naar buiten te zwerven… door je wagenwijd opengesperde mond. Naar Hayastan, het heilige land van de Armeniërs, dat de Turken ontwijd hebben… // p. 22 “Met de laatste gedachte zal alles duidelijk worden. Ik zie het al, de laatste gedachten zal de warboel in mijn hoofd ordenen. En die orde in mijn hoofd zal me zacht uit het leven wiegen. De mensen zullen over mij zeggen dat ik als een boom ben gestorven. Een boom kan wel zijn bladeren verliezen, maar nooit zijn wortels. En waarom zou dat bij de mensen anders zijn?”)

1993: De thuiskomst van Jossel Wassermann (autobiografisch: Ruben Jablonski is vier jaar na de oorlog berooid en uitgeput. Hij droomt ervan een roman te schrijven, maar de weinige regels die hij op papier krijgt, haalt hij steeds weer door. Elektoshocks maken zijn depressie compleet en er komt pas licht in de duisternis als hij de schrijver Erich Maria Ramarque ontdekt. “Voor het eerst zag ik hoe iemand in de allersimpelste taal sfeer oproept, rake karakters schept, spannend kan vertellen en schitterende dialogen schrijft.”)

Personages (belangrijkste)
Ik , Max Schulz, de buitenechtelijke, maar zuiver Arische zoon van Minna Schulz (=openingszin)

Ik, Itzik Finkelstein, toen nog Max Schulz, toekomstig jood en toekomstig massamoordenaar. Max wordt tijdens de oorlog massamoordenaar en moet nadien vluchten. Hij neemt de identiteit aan van zijn dode vriend Itzik, laat zich zelfs besnijden, duikt onder in Israël en wordt zelfs een overtuigd Zionist.

Itzik Finkelstein, zoon van een welgestelde Joodse kapper, even oud als Max Schulz. Itzik en Max zijn vrienden en wonen in dezelfde straat. Ikzik is Jood, maar ziet er Arisch uit. Max is Arisch, maar ziet er met zijn kikkerogen, haakneus, dikke lippen en zwart haar uit als een jood.

Anton Slavitzki (stiefvader van Max, mislukte kapper)

Ontmoetingen van Max Schultz/Anton Slavitzki: vrouwen
*heks Veronja in Pools bos
*vrouw Holle “met het Arische en het niet-Arische been”, weduwe van oorlogsmisdadiger Günther
* de antisemitische gravin Von Hohenhausen.
*magere Hanna
*vette Mira, met wie hij tenslotte trouwt

Ontmoetingen van Max Schultz/Anton Slavitzki: vrienden
*Max Rosenveld
*David Shapiro
*Teiresias Pappas (kapitein Exitus/Opstanding
*Jack Pearlman
*Wolfgang Richter (de rechter)

Vragen

*In hoeverre volgt Hilsenrath de historische feiten?
*”Ik, Itzik Finkelstein, toen nog Max Schulz, toekomstig jood en toekomstig massamoordenaar” Max Schulz is een cameleon pur sang. In hoeverre is er nog een eigenheid aanwezig? Hoe is het zover kunnen komen?
*In het boek komen nog persoonsverwisselingen voor. Waar?
*Wordt de massamoordenaar op het eind ontmaskerd? Hoe vind je dat einde?
*Hilsenrath maakt gebruik van sprookjeselementen om zijn verhaal van de holocaust te vertellen. Welke? Waarom doet hij dat?
*Sprookjes zijn wreed. Maar ze hebben een boodschap. Welke boodschap wil Hilsenrath ons geven?
*Hilsenrath is een Jood. Kun je zijn schrijfstijl vergelijken met andere Joodse schrijvers? Welke?
*Duitsland was niet happig om deze roman, die nochtans in het Duits geschreven was, uit te geven. Begrijp je waarom?
*In recensies wordt vaak gesproken over de fantastische humor in het boek. Ga je daarmee akkoord? Geef voorbeelden.
*Zie einde recensie NRC-Handelsblad. Daarin zegt Ewoud Kieft: “Aan het eind van zijn kolkende, onthutsende en vooral uiterst vermakelijke meesterwerk heeft Hilsenrath de lezer ver voorbij het besef van de banaliteit en absurditeit van het kwaad gevoerd. Maar bij De nazi en de kapper leidt dat niet tot een verlammend gevoel van paessimisme. Ook al blijft Hilsenrath daarin heel cryptisch, achter alle pikzwarte humor schuilt een onbenoemde hoop, die tussen de regels door komt bovendrijven…. ” Zie jij ook hoop? Waar?

Recensie (Ewoud Kieft in NRC Handelsblad van 21 maart 2008)
Met een zak tanden naar Berlijn
Een groteske satire van een nazi die besluit joods te worden, een hoofdpersoon die na een stiekeme besnijdenis vertrekt naar Israël waar hij zich moeiteloos omvormt tot strijdbaar zionist. Vele verwijzingen naar Jezus én Hitler. En dan nog macabere seksscènes, absurdistisch geweld en zwarte humor. Veel Nederlandse lezers die nog nooit hebben gehoord van Edgar Hilsenraths Der Nazi und der Friseur, nu in vertaling verschenen als De nazi en de kapper, zullen zich toch betrappen op een gevoel van herkenning: Hilsenraths meesterwerk uit 1971 vertoont vele overeenkomsten met Arnon Grunbergs De joodse messias. Maar Grunbergs variatie op het thema verbleekt bij de brute kracht van het origineel.
Na verschijning op de Engelstalige markt, duurde het zes jaar voordat het Hilsenrath lukte om een Duitse uitgever te vinden. Meer dan zestig uitgevers hadden het al geweigerd, terwijl het in de VS lovend was ontvangen. Pas in 1977 verscheen de originele Duitstalige versie. Toen waren erwereldwijd al ruim een miljoen exemplaren verkocht.
Dat in 2004 De joodse messias als een taboedoorbrekend boek werd onthaald, geeft wel aan dat het minstens zo radicale De nazi en de kapper ook nu nog als een uiterst controversiële roman gelezen kan worden. Het is gek, dat met het wegvallen van veel van de taboes omtrent WO II deze kluchtige satire nog schokkend en ontluisterend werkt. Deze kracht zit in Hilsenraths boek zelf; de ethische discussies over de Holocaust hebben er geen vat op.
Dat wil niet zeggen dat De nazi en de kapper zich daarvan afzijdig houdt. Hilsenrath roept juist morele en existentiële vragen op, door er schijnbaar de spot mee te drijven. Vol naïef enthousiasme stort de held, massamoordenaar Max Schultz, zich afwisselend in de rol van dader en slachtoffer. Die identiteitsverwarring voert Hilsenrath zo ver mogelijk door, met sadistisch genoegen. De grenzen van het geloofwaardige zijn al aan het begin van de roman lang en breed overschreden als baby Max wordt verkracht door zijn stiefvader, die zo’n lange penis heeft dat Max’ moeder droogjes observeert dat daar wel een ‘mankement in de bovenkamer’ het gevolg van zal zijn. Het is één van de smoezen waarmee Schultz zijn latere misdaden zal rechtvaardigen.
Grunbergs ‘Joodse messias’ verbleekt bij deze radicale roman
In zijn jeugd sluit Max vriendschap met zijn joodse buurjongen Itzik Finkelstein. Die ziet er als het prototype Germaan, met zijn blonde haar, blauwe ogen en rechte neus, terwijl Schultz zwart haar heeft, ‘kikkerogen, een haakneus, dikke lippen en slechte tanden’. Toch is hij echt van zuiver Arisch bloed, verzekert hij ons steeds. Hij gaat evenwel graag met Itzik mee naar de synagoge, leert Jiddisch en wordt kappersleerling bij Itziks vader, die de succesvolle kapsalon Heer van de Wereld runt.
Bergrede
Maar als Hitler aan de macht komt raakt Max in de ban van diens messianistische boodschap. Hij bezoekt een redevoering van de ‘Zoon van de Voorzienigheid’, gehouden op de Ölberg, een verwijzing naar de Bergrede van Jezus. Hilsenrath maakt van deze scène een briljante en verontrustende parodie op de quasi-religieuze retoriek van het nazisme. Hij legt Hitler absurde variaties van Jezus-citaten in de mond, en maakt ook duidelijk dat hier een grote aantrekkingskracht in school. ‘Want er bestaat een andere ontevredenheid, en die kan het communisme niet genezen.’
Het duurt dan ook niet lang voordat Max Schultz samen met zijn stiefvader de ramen van Finkelsteins kapsalon ingooit. Hij heeft het tot de SS geschopt en gaat op missie in Zuid-Rusland en Polen, waar hij naar eigen schatting zo’n 10.000 joden vermoordt. Onder hen zijn oude buurjongen en vriend Itzik. De lezer weet dan al dat Schultz de identiteit van zijn jeugdvriend zal overnemen. Al meteen stelde de verteller zich voor als ‘ik, Itzik Finkelstein, toen nog Max Schultz’, toekomstig jood en ‘toekomstig massamoordenaar’.
In de tweede helft wordt ‘De nazi en de kapper’ pas echt verontrustend en hilarisch
Hilsenrath besteedt opmerkelijk weinig woorden aan de voorvallen tijdens de Holocaust en ook hierin toont hij zijn meesterschap. De roman concentreert zich op de periode daarna, als Max met een zak vol gouden tanden naar Berlijn trekt. Eerst beleeft hij nog een surreëel verblijf in een Pools bos bij een oude heks die hem met toverdrank en geweld dwingt de liefde met haar te bedrijven, en daarna een even onsmakelijke erotische escapade met de eenbenige oorlogsweduwe Holle. In Berlijn laat hij een Auschwitz-tatoeage zetten en traint hij zijn nieuwe joodse identiteit, onder meer door felle disputen te voeren met een nieuwe minnares, de antisemitische gravin Von Hohenhausen.
Verontrustend
In de tweede helft van de roman wordt De nazi en de kapper pas echt verontrustend, en hilarisch. De identiteitsverwarring tussen Max en Itzik, tussen dader en slachtoffer, wordt op de spits gedreven als de hoofdpersoon, die beide namen inmiddels door elkaar heen gebruikt, zich in Israël vestigt. Daar begint hij zijn eigen kapsalon en brengt een revolutionair haargroeimiddel op de markt, de Samson V-2. Met hetzelfde gemak waarmee hij SS’er werd, sluit hij zich nu aan bij de zionistische guerrillabeweging. Tijdens het knippen en scheren houdt hij bezielde redevoeringen over de joodse geschiedenis en de toekomst van Israël en als hij onderwijl in de kapperspiegel kijkt, ziet hij ‘twee reusachtige kikkerogen, lok en snorretje’. Zijn eigen stem bedwelmt hem nu, precies zoals hij jaren daarvoor op de Ölberg bedwelmd werd.
Hilsenrath plaatst het slachtoffer-dader dilemma nu binnen de historische context van de stichting van Israël, en dat doet hij met hetzelfde zwartgallige venijn als in het eerste deel van de roman. Hiermee lijkt de schrijver wel heel boude kritiek te leveren op de joodse staat: de zionistische oorlogen mogen wat hem betreft vergeleken worden met Duitse oorlogsmisdaden.
Toch is De nazi en de kapper geen relativerende of zelfs nihilistische Holocaustroman, die slechts een grimmig mensbeeld heeft te bieden of de gevolgtrekking dat het ‘onbegrijpelijke niet begrepen kan worden’. Zelfs met die gedachte neemt Hilsenrath namelijk een loopje. In de slotscène biecht Max Schultz zijn verleden op aan een gepensioneerde rechter, en eist een oordeel van hem, één dat genoegdoening bij de slachtoffers teweeg zal brengen. Zelfs de meest drastische fictieve straf blijkt niet te volstaan, de dodelijke vermoeide rechter spreekt hem vrij, en daar heeft Max geen enkel probleem mee.
Pedant genoeg wenst hij, als hij aan het eind van zijn leven een hartaanval krijgt, alleen het hart van een jood te accepteren. Hij wordt op zijn wenken bedient: hij krijgt het hart van een rabbi geïmplanteerd. Dat redt zijn leven niet, net zo min als dezelfde doodsangst die zijn slachtoffers ooit voelden, hem verlossing van schuld kan bieden.
Er is één plek waar Max Schultz niet aan zijn lot ontsnappen kan: het ‘bos van de zes miljoen’. De geur van het bos stijgt hem naar de keel. Het ruikt er naar kruit en natte broeken, naar gas, gebedsrollen en angst, en ‘een beetje naar God.’ De weerzin die deze plek bij Max opwekt verandert in aantrekkingskracht.
Aan het eind van zijn kolkende, onthutsende en vooral uiterst vermakelijke meesterwerk heeft Hilsenrath de lezer ver voorbij het besef van de banaliteit en absurditeit van het kwaad gevoerd. Maar bij De nazi en de kapper leidt dat niet tot een verlammend gevoel van pessimisme. Ook al blijft Hilsenrath daarin heel cryptisch, achter alle pikzwarte humor schuilt een onbenoemde hoop, die tussen de regels door komt bovendrijven, bijvoorbeeld in de suggestie dat een harttransplantatie een grotere straf is dan welke vorm van vergelding dan ook. Op het moment van sterven laat Max Schultz zich meevoeren naar het ‘bos van de zes miljoen’, waar hij rust en onrust vindt, verlossing en straf.

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online.
Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!

Dit bericht is geplaatst in Bibliotheken met de tags , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *