Arthur Japin: De overgave (boekbespreking 22 april 2008)

Biografie:

Arthur Japin werd in 1956 in Haarlem geboren. Zijn vader schreef toneelrecensies, hoorspelen en detectives, maar maakte -ten gevolge van een psychiatrische stoornis- een eind aan zijn leven toen Japin twaalf jaar was. Japin voelde zich nogal eenzaam in zijn jeugd. Er kwamen thuis nauwelijks mensen over de vloer en op school werd hij gepest. Het feit dat hij als jongen balletlessen volgde maakte dat er natuurlijk niet beter op. Op zijn 18de studeerde hij een jaar aan de School of Dramatic Arts in Londen. Terug in Nederland begon hij in Amsterdam Nederlandse Taal en Letterkunde. Die studies lagen hem niet zo goed. Hij probeerde vervolgens de Kleinkunstacademie en dat lukte beter. Hij haalde er zijn diploma in 1982. In de daaropvolgende jaren speelde hij onder meer bij toneelgroep Centrum, de Nederlandse Opera en in de film De illusionist van Freek de Jonge. Na een tijdje begon hij zich ook op de planken niet meer zo goed te voelen en verhuisde hij naar Rome, waar hij in 1987 begon te schrijven: toneelstukken, hoorspelen, scenario’s en korte verhalen. Japin heeft nu duidelijk zijn weg gevonden. Hij schrijft nog steeds, zijn boeken worden goed verkocht, hij is een echte publiekslieveling. Hij is al lang terug in Nederland. Hij woont nu in Utrecht en in de zomer van 2012 stond hij voor het eerst sinds 26 jaar weer op de planken met een toneelstuk van Shakespeare.

Beknopte bibliografie:
1996: Magonische Verhalen
1997: De zwarte met het witte hart (over de twee Ghanese prinsjes Kwasi en Kwame, die in de 19de eeuw aan Koning Willem de Eerste werden geschonken en als Hollanders werden opgevoed.)
2002: De droom van de leeuw (waarin de stervende Italiaanse regisseur Snaporaz –lees: Fellini- terugblikt op zijn leven en op zijn verhouding met zijn laatste grote liefde Gala Vandenberg –lees: Rosita Steenbeek. Deze Nederlandse schrijfster Rosita Steenbeek is een goede vriendin van Japin en beschreef zelf ook haar relatie met Fellini in het boek De laatste vrouw.)
2003: Een schitterend gebrek (winnaar Libris literatuurprijs 2004. Zie bespreking op deze website)
2007: De overgave
2008: Zoals dat gaat met wonderen. Dagboeken 2000-2007. In de reeks Privé-domein.
2010: Vaslav (over de legendarische balletdanser Vaslav Nijinski)
2012: Maar buiten is het feest (over kindermisbruik en hoe daarmee om te gaan)

Situering in tijd en ruimte:

In het midden van de 19de eeuw maakt Texas roerige tijden door. Het gebied wordt opgeëist door de oorspronkelijke indianenbevolking (de Comanche), door Mexico en door de VS. Het probeert onafhankelijk te worden en raakt verzeild in de Amerikaanse Burgeroorlog.
Tegen deze historische achtergrond speelt De overgave zich af. Hierin vertelt Arthur Japin het persoonlijke verhaal van Sallie (Granny) Parker, een beroemde Amerikaanse vrouwelijke pionier.
Het verhaal van Granny Parker is berucht in zuidoostelijk Amerika. Ze emigreerde met haar tweede man en al hun kinderen en kleinkinderen naar Texas en settelde zich in 1835 in een fort aan de Navasota. Zij en haar familie overleefden de barre omstandigheden en kwamen de wrede onafhankelijkheidsstrijd tegen Mexico ongeschonden door. Maar nog geen drie maanden na het uitroepen van de Republiek Texas (maart 1836) werd Fort Parker overvallen door een groep Comanche-indianen. Haar man en zijn zoons werden daarbij op een afschuwelijke manier vermoord. Zelf werd ze aan de grond gespietst en herhaaldelijk verkracht. Van de vijf familieleden die ontvoerd werden, zag Granny er al twee, weliswaar getraumatiseerd, snel terug. Op haar lievelingskleindochter Cynthia Ann moest ze een kwarteeuw wachten. Dan bleek zij getrouwd te zijn met de zoon van het Comanche-stamhoofd en nagenoeg Indiaans geworden.
Het verhaal De overgave eindigt met het bezoek van de Comanche-hoofdman Quanah aan Sally Parker in 1875. Quanah was Sally’s achterkleinzoon. 1875 is ook het jaar van de overgave van de Comanches aan de Amerikanen.
Nota: Old Fort Parker kan je nog steeds bezoeken in het Fort Parker State Park. Het natuurpark werd in 1939 geopend. Er werd ook een dam boven de Navasota River gebouwd, waardoor er Fort Parker Lake ontstond.

Personages:
Sally (Parker) x Richard Druty en een tweede keer x John Parker (weduwnaar van Sally White)
James Parker x Martha, ouders van Rachel
Silas Parker x Lizzy, ouders van Cynthia Ann (=Naudah) en kleine John
Rachel, dochter Sally
Old Bet
Wie heeft de verschrikkingen overleefd? Sally, James en Martha. Lizzy, Cynthia Ann, kleine John en de zwangere Rachel zijn meegenomen.
Lizzy komt als eerste terug. Niet lang daarna pleegt ze zelfmoord. In 1838 wordt Rachel teruggevonden. Zij sterft enkele jaren later aan een longonsteking. Uiteindelijk wordt ook Cynthia Ann teruggebracht.
En wat blijkt? Cynthia Ann was getrouwd met Peta Nocona en heeft twee zonen: Quanah en Topsannah.

Enkele vragen:
*Verklaar de titel.
*Wie zijn de hoofdpersonages? Beschrijf ze.
*Wat denk je over de ‘pioniershouding’?
*Het boek staat vol oneliners. Geef voorbeelden.
*Waarom last Japin indianenverhalen in?
*“Zoals altijd,” schrijft Japin in zijn nawoord, “is de historische werkelijkheid extremer dan ik zou kunnen denken en in dit geval zelfs gruwelijker dan ik heb durven gebruiken.” Hij wil zich met andere woorden terughoudend opstellen. Merk je dat?
*Welk soort roman is De overgave volgens jou?
*Japin koos voor de monoloog. Vind je dat een goede keuze?

Recensie: De Standaard der Letteren, 14 september 2007, Ilse Degryse
Het idee dat het allemaal een keer ophoudt, lijkt me rustgevend. Leven is vermoeiend.
Wraak en vergeving, rauwe herinneringen en slepende rouw, en toch altijd weer – vaak tegen heug en meug – de veerkracht vinden om verder het leven aan te gaan. Dat zijn de thema’s die Arthur Japin dissecteert in zijn nieuwe historische roman De overgave. Het is zware kost, die wel ragfijn gefileerd wordt door de charmante schrijver met het aristocratische uiterlijk. En er zit een waar gebeurd verhaal achter. Op een zonnige dag vertelt Arthur Japin in het statige herenhuis aan de Amsterdamse Herengracht waar zijn uitgever kantoor houdt over het persoonlijke litteken dat hij in De overgave van zich af schrijft.

‘Ik ben als kind lang en ernstig gepest en mishandeld. Elke avond na school wachtten ze me op, ze duwden sigarettenpeuken op me uit, ik werd vernederd en geslagen. Een aantal jaar geleden werkte ik mee aan een televisie-uitzending over kindermishandeling. Vier bekende Nederlanders werden apart geïnterviewd, hele intieme gesprekken waren dat. Achteraf bekeek ik het programma thuis op de bank. Er zat ook een vrouw in die nog veel meer had meegemaakt dan ik, haar vader had haar verschrikkelijke dingen aangedaan. “Heb je hem vergeven,, vroegen ze haar. De vrouw dacht even na en zei toen: “Neen, dat gun ik hem niet., Toen had ik wel door dat televisiescherm heen wil stappen en zeggen: “Maar mens, dat gun je niet aan een ander, dat gun je aan jezelf!, Als iets je is overkomen en je blijft woedend, dan zit je vast, dan zit je gevangen. Dan hebben zijgewonnen. Diegene die jou iets hebben aangedaan, zijn dan de baas. Je kan in je kwaadheid blijven zitten, maar dan is je leven voorbij. Als je verder wil, dan moet je er iets mee doen.’

Voor Japin zelf kwam het keerpunt toen hij Nederlands ging studeren in Amsterdam. Op een dag stond hij oog in oog met het meisje dat de aanstookster was geweest van het gepest in zijn jeugd. ‘Ze was zo’n deerniswekkende figuur geworden, zo’n verloren iemand. Dat heeft me de ogen geopend. Ik zag in dat ook zij geleden had, dat ze me vanuit een zwakte hadmoeten mishandelen. Dat is voor mij een begin geweest. Zo moet iedereen zijn eigen bolletje wol ontwarren.’

‘Het is een van de moeilijkste dingen om te begrijpen, maar niemand handelt met de bedoeling om jou kwaad te berokkenen. Mensen doen dingen omdat ze denken dat dat voor hen de best mogelijke optie is. Dat kan mij wel kwaad berokkenen, maar die andere had daar een eigen reden voor. Als het je lukt om daar begrip voor op te brengen, is het zwaarste werk gebeurd. En dan komt er ruimte, dan komt er lucht en kun je weer ademen. Dan merk je dat vergeving zo’n machtig wapen is. Plotseling, na al die jaren van woede, heb je ineens weer de regie in handen. Dan begint het leven weer.’

Arthur Japin liep jaren met het plan rond om een boek te schrijven over vergeving, maar pas in 2004 diende Granny Parker, het hoofdpersonage van De overgave, zich aan. In dat jaar won Japin de Librisprijs voor Een schitterend gebrek, over Casanova’s jeugdliefje Lucia. Drukke tijden braken aan voor de bestsellerauteur: interviews, boekpresentaties, lezingen… iedereen wilde hem hebben. Japin besloot er even tussenuit te gaan en trok naar Texas. ‘We reden door de prairie, je kent de filmbeelden wel: kaarsrechte wegen, en om de paar uur moet je even stoppen om niet te gaan hallucineren. We hielden halt bij het dorpje Quanah, opnieuw als in de film, met een paar huizen en een courthouse. Ervoor stond een standbeeld van de indianenleider Quanah Parker, de achterkleinzoon van Granny. Ik las het opschrift op het standbeeld en mijn gemoed schoot vol, ik begon te huilen.’ Japin wist dat hij het onderwerp voor zijn volgende roman te pakken had. Nog die avond schreef hij in zijn hotelkamer een eerste opzet.

Granny is de sterke grootmoeder aan het hoofd van de pioniersfamilie Parker. Rond 1830 trekt de baptistenfamilie de Texaanse prairie in op zoek naar land. Ze willen ook de wilde indianen die daar wonen bekeren. Hun leven is hard en vol ontbering, maar al bij al gaat het de Parkers relatief voor de wind. Tot op een dag een groep Comanche-indianen hun fort overvalt. De mannen worden gelyncht, hun scalpen worden aan de riemen van de indianen geregen. De vrouwen worden verkracht en vermoord. De Comanches nemen enkele dochters en kleindochters mee als buit. Granny wordt met spiesen aan de grond geregen, maar ze overleeft. Voortaan heeft haar leven nog maar één doel: haar dochters terugvinden en wraak nemen.

Veertig jaar later krijgt de hoogbejaarde Granny bezoek van Quanah, de aanvoerder van de Comanches. Hij is op weg om zich over te geven en zijn verslagen volk in het indianenreservaat te leiden. Hij heeft nog één verzoek: hij vraagt Granny te vertellen over haar leven. Ondanks de diepe haat die Granny ook na al die jaren nog voelt, stemt ze toe. Want Quanah is de zoon van Granny’s geroofde kleindochter Cynthia Ann, die helemaal ver-indiaanste en met een Comanche kinderen kreeg.

Het is een waargebeurd verhaal, en gedroomd materiaal voor Arthur Japin. Japin: ‘Het dilemma van Granny Parker is zo buitengewoon. Datgene waar ze zo van houdt, krijgt ze terug maar tegelijk is het datgene wat ze haat. Zo’n figuur kun je als schrijver niet bedenken, de geschiedenis reikt ze je aan. Toen ik Granny had gevonden, wilde ik in haar hoofd kruipen. Ik wilde weten wat zo’n drama met je doet. Ik werk als een acteur, ik probeer me in te leven. In zo’n geschiedenis zitten veel hiaten, leegtes die ingevuld moeten worden. Dat doe je met je eigen gevoel, je kennis van de wereld. Hoe zou ik gereageerd hebben? Als ik met zo’n karakter bezig ben, denk ik ergens halverwege altijd opnieuw: oh natuurlijk, het gaat weer over mezelf.’

‘Wat mijn romanpersonages – Lucia in Een schitterend gebrek, de prinsen Kwasi en Kwame in De zwarte met het witte hart – gemeen hebben, is dat ze buitenstaanders zijn. Ze moeten hun plaats bevechten in de maatschappij. Voor dat soort mensen heb ik een passie. Ik ben er trots op dat ze dat doen en dat ze dat lukt. Weet je wat mij niet inspireert, en wat veel schrijvers wel doen? Ze nemen iets kleins, een heel klein alledaags herkenbaar menselijk iets. In een boek bouwen ze dat door stijlgebruik en dergelijke uit tot een enorm verhaal. Ik hou ervan om een drama, iets onbegrijpelijks waar iemand doormoet, klein te maken, het invoelbaar te maken, zodat je denkt: oh, maar zo was dat leven.’

U schrijft in uw nawoord dat wat u over Granny Parker in historische bronnen heeft gelezen, de wrede folteringen die de Comanches haar lieten ondergaan, zo gruwelijk was dat u het niet in uw roman kon neerschrijven.

‘Dat klopt. Aan die gruwelijkheden had ik niets voor het boek, want ik wil dat de lezer doorleest. Aanvankelijk dacht ik dat ik niet zou kunnen weergeven wat Granny meemaakt, tot ik op het idee kwam van de mier. Granny wordt aan de grond gespietst. Dat probeerde ik me thuis, in mijn werkkamer, voor te stellen. Je zit in een luxepositie, je hebt helemaal geen pijn en je zit nergens aan vast, maar toch… je probeert het je voor te stellen. Ik weet uit ervaring dat de geest een uitweg biedt als je in een situatie terechtkomt die je eigenlijk niet meer aankunt, dat hij een soort detour maakt, een afslag neemt. Dat is eigenlijk heel goed om te weten. Granny ziet opeens die mier, en denkt: oh god, als die maar niet in die plas bloed valt. Door dat hele kleine te laten zien, suggereer je iets en hoefde ik al die ellende niet te beschrijven. Doordat Granny zo geobsedeerd is door die mier, begrijp je dat daar omheen iets gruwelijks gebeurt.’

De baptisten proberen alle ellende die hun overkomt vanuit hun geloof te verklaren. Als een kind sterft, zien zij dat als de wil van God. Granny heeft het daar moeilijker mee.

‘Ook in die geloofsgemeenschap is ze een buitenstaander. Ze gaat er voor een stuk wel in mee – ze had geen keuze, buiten de gemeenschap kun je niet overleven – maar ze blijft sceptisch. Ze vraagt zich af waarom het geloof nooit naar haar de hand heeft uitgestoken. Ook daar is ze weer een eenling in, dat vond ik interessant. Stel dat ze wel gelovig was geweest. Dan had ik geen verhaal gehad. Als ze zich op de baptistenmanier overal had bij neergelegd, dan was er geen conflict.’

Bent u zelf met het geloof bezig?

‘Neen, maar ik ben katholiek opgevoed en heb dat geloof trouw gevolgd als kind. Ik vond het ook leuk, elke avond met Jesuke praten. Ik wilde heel graag mijn communie doen, dat leek me geweldig. Op een gegeven moment begreep ik dat je daarvoor moest biechten. Je moest iets bedenken wat je verkeerd had gedaan. Ik had echt nooit iets verkeerd gedaan, ik had nooit gezondigd. Integendeel, er werd tegen mij enorm gezondigd in die tijd, er werd mij heel veel kwaad aangedaan. Ik vond het onoverkomelijk dat ik zou moeten bedenken wat ik verkeerd had gedaan. Dat heeft mijn moeder heel goed opgepakt. Ze is gaan praten met de priester en toen hoefde het niet. Ik heb mijn communie mogen doen, zonder te biechten, als een van de weinigen ooit misschien.’

‘Pas veel later ben ik het onderscheid gaan maken tussen geloof en religie, wat ik bijna twee tegenovergestelde dingen vind. Je hebt het geloof, het hopen van de mens, iets wat in je zit. En dan is er de religie. Granny heeft het er ook over: waarom hebben ze het nodig om elkaar op zondag op te hitsen en elkaar te zeggen wat ze wel en wat ze niet moeten doen? Die mensen belijden niet hun geloof maar hun twijfel, zegt ze. Dat is ook mijn overtuiging, zeker in onze tijd waarin het zo op scherp gesteld wordt. Het gevoel moet aan voorwaarden en aan eisen voldoen. Dat vind ik levensgevaarlijk.’

Granny heeft het moeilijk om haar woede los te laten. Ze vindt troost in de haat. Ze durft geen tederheid te tonen tegenover haar achterkleinzoon, hoewel ze die op den duur wel voelt. Het moederinstinct blijkt sterker dan de haat.

‘Als de woede zolang je levensvulling is geweest, dan is er niks meer naast. Als je ze dan nog loslaat, zeker op het einde van je leven, betekent het ook dat je al die jaren ervoor gefaald hebt. Dat is de leegte die ze voelt. Ze had de woede ook dertig jaar eerder los kunnen laten. Wat was er dan gebeurd? Wat had haar leven dan voor vorm aangenomen? Haar woede is als een stok waar ze altijd op leunt. Ineens is die stok weg.’

‘De tederheid en de ontroering zijn ook hartstikke gevaarlijk. Er zit zoveel onderdrukt in Granny, zo’n bom aan weggestopte gevoelens. Ze kan het zich niet toelaten om wel een keer ontroerd te raken, want dan breken die sluizen door. Het is natuurlijk heerlijk om die overgave toe te laten, versta me goed, maar zij is er bang voor. De boosheid begrijpt ze, de zachtheid begrijpt ze niet zo goed.’

‘Het moederinstinct is het laatste gevoel wat Granny nog toelaat, daar heeft ze zich in vastgebeten. Wanneer dan die streng ook nog doorgeknipt dreigt te worden… dan zou ze echt alles kwijt zijn.’

Granny is zelfs opgelucht bij elk familielid dat ze verliest. Dan kan dat alvast niet meer mislopen.

‘Het is een van de dingen die ik heb ervaren in mijn leven. Nu is mijn partner nog nooit gestorven, dat zal absoluut anders zijn… Maar de dood van mensen van wie ik erg bang was om ze te verliezen, bleek eigenlijk helemaal niet zo erg te zijn. Toen ik De zwarte met het witte hart schreef, was mijn moeder net gestorven. In die roman staat: “De dood brengt mensen soms dichter bij je dan het leven., Ineens zijn alle vervelende dingen van iemand van de ene dag op de andere allemaal weg, alle onenigheid en alle irritatie zijn verdwenen. Ineens is er alleen nog die leuke kern over, daar kan niets meer mee gebeuren. Die is er en die is van jou en die leeft in jou. Die is onveranderlijk geworden. Dat is een enorme pracht, dat je ze bij je kunt dragen, precies op de manier zoals je ze graag gezien hebt tijdens het leven. Het is een vorm van liefde die zich verinnerlijkt, die in je gaat. Dat heb ik eigenlijk iedere keer. Op het moment van het sterven moet je huilen en denk je: “O jee, het is definitief., Maar daarna is er altijd lucht gekomen, en daar hoor ik nooit iemand over, gek genoeg. Dat moeten toch wel meer mensen ervaren.’

Granny is levensmoe. Ze heeft last van haar geheugen, eigenlijk wil ze het liefste alles vergeten.

‘Ja, en steeds willen mensen weer dat verhaal horen. Ze is ook zo’n beetje een bezienswaardigheid in de stad waar ze woont, en al helemaal als Quanah komt.’

‘Ik heb ook wel oude mensen gekend, iemand van 96 en iemand van 98. Zij zeiden: “Neen, dit is geen leeftijd meer, ik ben zo moe, ik wil het niet meer allemaal weten, ik zal blij zijn als het allemaal voorbij is., Ik denk dat het goed is om te weten dat er een moment komt waarop de dood je vriend is. Omdat je herinneringen dan eindelijk ophouden. Ik heb zelf allerminst zin om dood te gaan, maar het idee dat het allemaal een keer ophoudt, lijkt me rustgevend. Leven is vermoeiend. Vraag het me nog maar eens over dertig jaar, dan kijk ik er misschien anders tegenaan, maar op dit moment lijkt me doodgaan helemaal niet zo erg.’

Recensie: Vrij Nederland, 15 september 2007, Jeroen Vullings
Oma vergeeft de Indianen.

De nieuwe roman van Arthur Japin heeft een hoog Het Kleine Huis op de Prairie-gehalte, met paardenfluisterende levenslessen. Een mierzoet sprookje heeft hij er niet
van gemaakt: het rauwe geweld komt als een donderslag bij heldere hemel. Maar De overgave
is vooral a good read.

‘Granny’ heet Japins oudje: Granny Par¬ker. Zijn nieuwe roman De overgave speelt in het Texas van midden negentiende eeuw. De enige keer dat hoofdpersoon Granny haar leeftijd prijsgeeft, is ze begin vijftig. Gezien haar levensfeiten had ze evengoed tachtig kunnen zijn. Met haar hele familie vestigde ze zich na een jarenlange trektocht in Texas, midden in het gebied van de Comanches, een gewelddadige en vechtlustige indianenstam, die we ons nog scherp kunnen herinneren uit het jongensproza van Karl May. Had Granny over Old Shatterhands perikelen met dat Co¬man¬che-tuig gelezen, dan was ze beter voorbereid geweest op de gruwel die haar zou treffen.

De Parkers zijn de eerste kolonistenfamilie die overvallen wordt door de Coman¬ches. Na het bloedvergieten en het martelen heeft Granny tien naasten te betreuren: vijf doden en vijf ontvoerden. ‘Mijn kleinkinderen Cynthia Ann, kleine John en Rachel met haar baby, evenals mijn eigen dochter Lizzie.’ Zelf heeft ze de massamoord wonderwel overleefd, nadat ze is gespietst met een speer en vervolgens door een groep Comanches is verkracht – keurig stonden ze in de rij.

Familiale zalvigheid
Die aanslag komt ook voor de lezer uit de lucht vallen. Dat is te danken aan het hoge Het Kleine Huis op de Prairie-gehalte waarvan De overgave blijkt geeft. Niets ten nadele van Laura Ingalls Wilders tiental kinderklassiekers over het barre, negentiende-eeuwse pioniersleven in The Midwest, maar na het tweede deel van die serie was ik maar al te blij dat mijn dochter inmiddels zelf had leren lezen. Verlost achtte ik mij van de krankzinnig gedetailleerde beschrijvingen van agrarische instrumenten, timmermansvaardigheden, huizenbouwerij, recepten en familiale zalvigheid. Dat was echter buiten de romancier Arthur Japin gerekend, die ons vergast op zulke cosy passages: ‘Rond negen uur trokken de meeste mannen de maïsvelden in.

James gaf samen met Rachels man leiding aan de werkers die zich bij ons hadden aangesloten, zoals David Faulkenberry en zijn zoon Evan, Seth Bates, de oude Lunn en Elisha Anglin met zijn zoon Abram. Alles bij elkaar tien man en een jongen. John voelde zich wat koortsig. Hij besloot die dag in het fort te blijven, waar hij reparaties moest verrichten. Benjamin en Silas hielpen hem daarbij, samen met Samuel Frost en zijn zoon Robert, omdat zij het meest bedreven waren in zaag- en timmerwerk. Grote delen van het jaar werkten ook de vrouwen op het land, wanneer er gepoot moest worden, gemaaid of gerooid, maar het was voorjaar, zodat we ons binnen nuttiger konden maken, en het was dinsdag, de dag waarop wij ons naai- en spinwerk deden. Ik zat met mijn dochters Lucy en Martha bij het weefgetouw aan een grote tafel. Martha’s dochters Rachel en Sarah werkten aan een kleinere samen aan een nieuwe lappendeken. Vlakbij was kleine John rond het hondenhok aan het dollen met de puppy’s van de nieuwe honden die Seth Bates had meegebracht.’

Allemachtig.

Het was vermoedelijk Japins bedoeling om de lezer in slaap te sussen met dat rurale gedoe, voordat de schok komt, en vast niet om de wanhopige gedachte te doen postvatten: hoe lang moet ik dit nog doorstaan? In beide gevallen is het effect identiek: het rauwe geweld komt als een donderslag bij heldere hemel.

De beschrijvingen liegen er niet om. Dit ziet Granny bijvoorbeeld gebeuren met haar man John: ‘Een ander won Johns geslacht, dat hij in een weitas borg.’ Later, bij die gangbang, krijgt ze dat afgesneden lid ook nog eens over haar gezicht gewreven. Daar blijft het niet bij, in De overgave. Atrociteiten door Comanches blijven plaatsvinden: ‘Zes weken mocht ze haar baby houden. Toen werd hij enkele malen door een cactusbos gehaald als een dot vlas over een hekel, waarna ze het lichaampje in de schoot geworpen kreeg, zodat zij het kon begraven.’

De rode natuurmens
Beschrijvingen van wreedheid wennen nooit, in die zin zijn ze altijd uniek. Maar toch tapt Japin in De overgave uit een literair bekend vaatje. Uit de Amerikaanse literatuur, zeker van auteurs die revisionary westerns schrijven als Cormac McCarthy, kennen we inmiddels het andere, even realistische beeld van het Wilde Westen zoals het vermoedelijk was. Gedaan is het met de pief-paf-poefromantiek waarin John Wayne dikke, spierwitte, met indianenpruiken getooide kerels van hun kortademige pony’s knalde.

Een mierzoet sprookje heeft Japin er dus niet van gemaakt en dat is prijzenswaardig. Toch is Japin, na eerder de geteisterde Afrikaan te hebben ontdekt in De zwarte met het witte hart (1997), merkbaar aangeraakt door de indiaan. Hij verdoezelt niet dat daar in wetteloos Texas een van de bloedigste rassenoorlogen plaatsvond op Amerikaans grondgebied, maar voert ons toch af en toe, bijna ongemerkt, een hapje wijsheid die we zo van de rode natuurmens kunnen overnemen. Indianen maken geen onderscheid naar ras. Ben je eenmaal lid van de stam, dan hoor je erbij. Dat terwijl de blanken in De overgave juist niet blijken te kunnen leven met hun bevrijde rasgenoten, die eertijds als indiaan onder de indianen moesten leven. Ja, we kunnen heel wat leren van die roodhuiden! Dat blijkt ook uit de cursief gedrukte intermezzi, een soort levensbeschouwende, hoogst charmante sprookjes uit de indianencultuur, waaruit je kunt opmaken dat controledwang niks oplevert en dat je het leven op zijn beloop moet laten.

Toch slaan zulke paardenfluisterende levenslessen de roman niet uit balans, daar is Japin te veel een vakman voor. Voor alles is zijn roman a good read, dat (in vergelijking met de superieure gorilla Cormac McCarthy) behoort tot het genre van popular fiction. Japin dist met jeu gebeurtenissen op uit die (tamelijk recente) Amerikaanse geschiedenis: de onafhankelijkheidsstrijd met de Mexicanen, de afscheiding, het begin van de Burgeroorlog. En verwerkt die rimpelloos in het meer therapeutisch gestuurde levensverhaal van Granny, die de schofterige indianen moet leren vergeven. Dat lukt ook nog. Op pagina 290 zegt ze nog: ‘Vergeven (…) nee, dat gun ik ze niet.’ Maar zestig pagina’s later, vlak voor het slot, is het al van: ‘Nou goed, je vergeeft of iets wat daarvoor door moet gaan, prachtig allemaal, en dan?’

Gelikte vertelling
Ik moet mij bedwingen om al te jolig te doen over Japins roman, want dat doet hem niet helemaal recht. Wat hij belooft, maakt hij immers waar. Na afloop heb je de indruk een leuke film te hebben gezien, maar dan wel een televisiefilm. Na de beschreven moordpartij kun je goed meeleven met de personages, vertelvaart ontbreekt niet, de stijl is adequaat, af en toe zelfs mooi: ‘Stofkolommen zwirrelden op.’

Maar. Japin kan zoveel beter, zoals hij heeft laten zien in zijn meest bekritiseerde, mij nochtans zeer dierbare roman De droom van de leeuw (2002). Dat boek is in zijn oeuvre nog het meest een persoonlijk waagstuk; daarvoor en daarna stelde hij zich er tevreden mee om zich volledig onder te dompelen in de levens van zijn personages en in het historische decor – zich inleven kan hij heel goed. Zozeer dat de schrijver uit zicht verdwijnt en een gelikte vertelling overblijft. Misschien mikt hij met dit Amerikaanse drama op het grote publiek aldaar, maar in Europa zijn we – ook van hem – anders gewend.

Toch bevat De overgave een aantal passages die mij urgenter voorkomen, alsof de schrijver daar meer zichzelf in gelegd heeft.

Het zijn niet de geweldstaferelen, die Japin nog prettig kies schildert, maar juist de scènes waarin getoond wordt hoe je daarna verder kunt leven, hoe verwerking en rouw moeizaam maar geleidelijk vorm aannemen in een beschadigd bestaan. Soms verandert in zulke zinnen zelfs de toon: van verhalend naar beschouwend. Onvoldoende om van een stijlbreuk te spreken, maar voldoende om de schrijver in Japin niet te vergeten

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online.
Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!

Dit bericht is geplaatst in Bibliotheken met de tags , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *