Alain Finkielkraut: Ongelukkige identiteit (leesverslag Ann)

ongelukkige identiteitIk las op de achterflap: “Alain Finkielkraut houdt een pleidooi voor het omarmen van cultuur”, kocht het boek, las het in één ruk uit en bleef achter met verwarde gedachten.

Alain Finkielkraut is een bekende Franse intellectueel van Joodse afkomst en doceert filosofie in Parijs. Hoewel zijn familie oorspronkelijk Pools was, kun je Finkielkraut toch wel een echte Fransman noemen. In het hoofdstuk m/f waarin hij het over het verbod van hoofdoeken op scholen heeft, wijt hij dat ten dele aan de Franse galanterie:
“Galanterie is niet alleen eerbied voor kwetsbaarheid. Ze is vooral een eerbetoon aan vrouwelijkheid. Ze berust op de stilzwijgende erkenning dat vrouwen in de smaak vallen en dat het geoorloofd is, zo niet raadzaam is hun hulde te brengen. Een galant man stort zich niet op vrouwen, hij verplicht zichzelf ze op hun manier te verleiden, volgens de regels die zij bepalen: hij versiert ze door ze het hof te maken…” Ach, die Franse charme…

Ook op vlak van literatuurkennis is hij echt ‘Frans’. In het hoofdstuk Iets moois, kostbaars, broos en vergankelijks dat over de waarde van het literair erfgoed gaat, citeert hij de grote Duitse romanist E.R. Curtius die in 1925 schreef
“dat literatuur voor Frankrijk een cruciale rol gespeeld heeft om zich bewust te worden van zichzelf en van zijn beschaving” en “dat geen enkele natie de literatuur een vergelijkbare plaats toekent”.
Zoveel is zeker, onze Franse Jood van Poolse afkomst is een volbloed Fransman geworden. Hij citeert de Franse klassiekers alsof hij ze nog maar net gelezen heeft.

Voor mij is een hoofddoek niet meer dan een gegeven. Ik heb die drukte rond een hoofddoek op school nooit goed begrepen. Maar ik ben een jonge vrouw (*) en Finkielkraut is een oude man. En onze volbloed Fransman is ronduit voor het verbod op hoofddoeken in het onderwijs. Ik vergeef het hem graag. Bovendien houdt zijn argumentatie steek. Zeker in het licht van heel zijn betoog.”Omdat hij tegen de huidige mentaliteit is die zegt dat de school een weerspiegeling moet zijn van de maatschappij”. Die maatschappij wordt hoe langer hoe meer multicultureler. Wat met scholen in de zogenaamde probleemzones? Moet het onderwijs buigen voor alle eisen van alle culturen? Wat als een leerling Molière aanstootgevend vindt? Schrappen uit het leerprogramma? Wat als een leerling het Franse kostuum van zijn leraar aanmatigend vindt? Eisen dat hij in jeans en t-shirt voor de klas staat? En zo geeft Finkielkraut massa’s voorbeelden uit het Franse onderwijs, die ik meteen kan doortrekken naar enkele verhalen uit bepaalde scholen in ons landje. Finkielkraut vindt dat de omgeving zich nog altijd moet aanpassen aan de school. En hij hekelt de nivellering van ons huidig onderwijs die door een te grote toegeeflijkheid veroorzaakt wordt.

Maar laat ons duidelijk zijn, op de laatste bladzijden van het laatste hoofdstuk Oorlog om respect, staat dat ook de Fransen moeten respect hebben voor andere culturen, net zoals die andere culturen respect moeten hebben voor hen. De Franse cultuur mag niet ten onder gaan. Hij is het volmondig eens met Charles Taylor die zegt dat “Gebrekkige waardering niet alleen getuigt van een gebrek aan normaal verschuldigd respect. Gebrekkige waardering kan een ernstige wonde veroorzaken door het slachtoffer met een verlammende zelfhaat op te zadelen.” Bijgevolg zegt Finkielkraut dat “politieke correctheid hier wel een punt heeft: multiculturalisme moet een plaats krijgen. Maar misschien niet alle plaats. Uit naam van het respect voor minderheden zijn de Amerikaanse universiteiten in het laatste decennium van de 20ste eeuw de canon, de lijst van grote klassieke teksten, gaan herzien. Het vernederende monopolie van de DWEMS (=Dead White European Males) moest worden doorbroken, zodat ook niet-blanke, niet-Europese en niet-mannelijke levenden zich konden herkennen in de auteurs die ter bewondering worden voorgedragen. … Alsof het liberale onderwijs, dat een voortdurende omgang met de grote geesten is geen oefening is in de hoogste bescheidenheid, om niet te zeggen in nederigheid”.

Ik geef hem gelijk, en ik geef hem geen gelijk. Mijn gedachten draaien voortdurend rondjes. Ten eerste hebben wij geen Grote Belgische Literatuur. En als ik het over onze Grote Vlaamse Schrijvers heb, dan moet ik oppassen. Vind ik de Vlaamse sagen en legenden boeiend, dan word ik verdacht aangekeken. Vraagt iemand van mijn leesgroep een boek van Cyriel Buysse aan in haar plaatselijke bibliotheek, dan krijgt ze daar als antwoord: “Dat hebben wij niet meer. Wie leest dat nog?” Stel ik mijn leesgroepleden dan weer voor om Hugo Claus te lezen, dan steigeren ze, want “hij beschrijft de Vlamingen zo negatief. Bovendien zou zijn werk overroepen zijn.” Tom Lanoye is wel geliefd, die is van een latere generatie, en “hij geeft de typische eigenheid van het Vlaamse volk wel sympathiek weer.” Moeilijk hoor. Als Vlaamse klassiekers al nauwelijks meer door de Vlamingen zelf gelezen worden… Hoe kunnen we die dan aan de nieuwkomers aanbrengen? Toch even opmerken dat de leesclub ondertussen Cyriel Buysse en zeker Willem Elsschot op handen draagt. Ook Gerard Walschap heeft het goed gedaan, iets minder bij de jongste generatie, maar toch: bijna iedereen was blij hem gelezen te hebben.

Bovendien heb ik mij tijdens het lezen vaak afgevraagd welke onderwijsoplossingen Finkielkraut biedt voor niet ASO-leerlingen. Dat er in het onderwijs heel wat hapert: ok. Dat er wat meer respect voor de verschillende culturen, inclusief onze eigen cultuur, mag zijn: ok. Dankzij Finkielkraut ben ik aan het nadenken over de waarde van onze eigen cultuur en het verlies ervan. Maar! Ik ben wel een bevoorrechte blanke vrouw … Wat met al die anderen, met al die minder bevoorrechte burgers?

Maar uiteindelijk is het Finkielkraut niet te doen om oplossingen aan te bieden. Hij wil ons enkel het probleem van de huidige Franse (en bij uitbreiding West-Europese identiteitscrisis) en het belang van het doorgeven van onze oude culturele waarden doen inzien, want “Alleen vanuit wat ons is overgeleverd kunnen we iets nieuws brengen. Als we ons verleden vergeten of uitbannen, staan we niet open voor de toekomstdimensie, maar onderwerpen we ons lukraak aan de loop der dingen. Als er niets voortleeft, kan er ook geen nieuw begin worden gemaakt. En als alles een mengeling wordt evenmin. Het oude en het moderne dreigen dan samen weg te zinken in een zee van ongedifferentieerdheid. De menselijke, aardse wereld heeft grenzen nodig.” (Hoofdstuk De les van Claude Lévi-Strauss)

(*) Alles is relatief, nietwaar?

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online.
Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!

Dit bericht is geplaatst in Bibliotheken met de tags , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *