Adriaan Raemdonck in Pepingse Babbels (20 september 2012)

Als de Arkprijs van het Vrije Woord jaarlijks in je galerie uitgereikt wordt, als er ook regelmatig boekvoorstellingen gegeven worden (zaterdag 13 oktober dichtbundel Marleen De Crée), als de galeriehouder houdt van figuratieve kunst (Jan Cox, Fred Bervoets, Jan Vanriet…), die ik zelf vaak verhalende kunst noem, als de beeldende kunstenaars die de galerie promoot dikwijls ook schrijvers zijn (Hugo Claus, Pjeroo Robjee, Marcel van Maele…), als de galeriehouder met veel gevoel de dichtbundel ‘Schildersverdriet’ van Paul Snoek aanhaalt, als hij bovendien de eerste Parnassusprijs krijgt, door het Vlaams Fonds van de Letteren ingesteld “om personen te eren die zich opmerkelijk verdienstelijk hebben gemaakt voor de Vlaamse literatuur zonder zichzelf in de schijnwerpers te plaatsen”, dan geef ik die galeriehouder maar al te graag een plaats in deze boekenblog.
Ik heb het over Adriaan Raemdonck die ik gisterenavond heel beeldend hoorde vertellen in de Pepingse Babbels bij Mong Blok.

Adriaan Raemdonck sprak vol vuur over zijn jeugdjaren in Pepingen en zijn vertrek naar de grote stad waar hij zich duidelijk en hoorbaar (Antwerpse tongval) thuis voelt. Hij was een jonge schilder, “een picasso” zoals de volksmensen toen zeiden, maar toen hij oog in oog stond met het werk van Fred Bervoets besefte hij dat hij nooit diens niveau zou halen. Hij wilde een galerie beginnen.
Geluk, inzicht, lef en vooral liefde voor de kunst zorgden ervoor dat de galerie ‘De Zwarte Panter’ nu al 40 jaar bestaat, in Vlaanderen een record. Adriaan Raemdonck noemt zijn galerie steevast een veldgalerie: een ruimte waar niet alleen centen rollen, maar waar ook bier vloeit, waar beeldende kunstenaars, muzikanten, schrijvers en kunstliefhebbers met elkaar van gedachten kunnen wisselen en nieuwe, frisse (of minder frisse) ideeën kunnen opdoen.
Adriaan Raemdonck lichtte ook een tipje van de sluier van de kunstwereld op, te vergelijken met de politiek. De kunstwereld is een spel tussen kunstenaar, galeriehouder (pilootgalerie, promogalerie, marchand), museum, verzamelaar, kunstcriticus ,kunstbeurs en kunstveilingen. Tegenwoordig is er nog een derde element in het spel: internetverkoop. Al die elementen bepalen de waarde van een kunstwerk.” Maar!”, en daar legde Raemdonck echt wel de nadruk op: “het werk moet van in het begin intrinsiek goed zijn!” Een kunstenaar heeft nu eenmaal een groep om zich heen nodig, kan niet alleen op zijn zolderkamer blijven. Het is een beetje zoals Wannes Van de Velde zegt: “Een zanger is een groep”.
Wat Raemdonck vertelde over de Vlaamse kunstscène, herinnerde ik me grotendeels uit het diepgaand en tegelijkertijd uiterst vermakelijk portret van de, in dit geval internationale, kunstwereld van Sarah Thornton ‘ART. Achter de schermen van de kunstwereld’ (De Bezige Bij, 2009). Op blz. 20 schrijft zij dat hoewel veel ingewijden graag afgeven op de kunstwereld, zij het eens is met Charles Cuarino, de uitgever van Artforum: “het is de plek waar ik de meeste zielsverwanten heb gevonden –genoeg lijpe, te hoog opgeleide, anachronistische anarchistische mensen om me gelukkig te voelen’. Tenslotte zegt ze dat, wanneer de gesprekken verstommen en de bezoekers huiswaarts keren, het nog altijd heerlijk is om in een ruimte vol goede kunst te staan. Ik vermoed dat Raemdonck zich hierbij aansluit.
Op het einde van de meer dan twee uur durende voordracht en vragenronde, vroeg Raemdonck met een knipoog of er nog meer vragen zijn? Neen? Zijn er dan jonge kunstenaars in de zaal? Of kunstverzamelaars?
Is Raemdonck dan toch een echte ‘kunstmarchand’? Waarschijnlijk wel, maar met een knipoog. En met liefde voor de kunst.
Als bijlage: een gedicht uit Schildersverdriet, Paul Snoek, Manteau, 1982
‘Als ik geen rood meer heb’

Als ik geen rood meer heb
maak ik de bomen groen, de struiken,
het hele landschap wat ik schilder.
Dus ook het onkruid en het gras,

waarin je languit ligt te wachten roerloos
maar toch diep ontroerd, wanneer je later
het doek mag zien waar ik je rooie jurk
vervangen heb door zachte naaktheid,
waarvoor ik net als voor je glimlach
vooralsnog niet de kleur vond die je past.

Als ik geen rood meer heb,
heb ik nog altijd je lippen.

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online. Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!
Dit bericht is geplaatst in Bibliotheken met de tags , , , , , , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *