De Sehnsucht van Connie Palmen (Kasteel van Gaasbeek): deel II

Op woensdagavond 3 oktober 2012 kregen twee leeskringen (Dilbeek en Pepingen) een rondleiding op de tentoonstelling Sehnsucht. Een onstilbaar verlangen in het Kasteel van Gaasbeek. Nadien werden twee boeken van Connie Palmen (vooral ‘De vriendschap’, en voor de liefhebbers ook ‘Logboek van een onbarmhartig jaar’) in een prachtige vergaderruimte op de gelijksvloers besproken.

De gids had op maximum anderhalf uur gerekend, maar de toeschouwers hadden zich zo ondergedompeld in de nachtelijke sfeer van het kasteel, dat er al gauw een halfuur bijkwam. Daarbij wilden ze de video’s, zoals de bijna 20-minuten durende PitMusic van de Deense kunstenaar Joachim Koester in de prachtige Roelantszaal, ook echt helemaal uitkijken… Geef hen eens ongelijk. Bovendien liet de gids hen meer doen dan alleen maar luisteren naar een kant-en-klare uitleg: ze liet hen zelf vertellen wat ze zagen of dachten te zien. Er ontstonden aangename discussies. Als je bedenkt dat een museumbezoeker gemiddeld negen seconden voor een kunstwerk blijft staan (Boon& Steenhuis, Filosofie van het kijken, Lemniscaat, 2009), dan ging het hier om museumbezoekers om U tegen te zeggen. Het werd halftwaalf. Gaasbeek bij nacht. Het heeft iets. De sehnsucht zat er goed in.
Sehnsucht is een onvertaalbaar Duits woord, dat aansluit bij het Nederlandse melancholie of nostalgie en bij het Engelse spleen. Het is een immens verlangen naar een persoon of zaak waar men van houdt of begeert. Het is een romantisch verlangen naar onbereikbaar geluk. Het is een intrensiek verlangen: een verlangen naar het verlangen zelf, want eens het verlangen verworven, is het verlangen ook dood. Door sommigen wordt sehnsucht dan ook omschreven als een ziekelijk verlangen.
Hoe gingen en gaan kunstenaars met dit complexe gevoel om? De tentoonstelling probeert hier een antwoord op te geven aan de hand van een 30-tal kunstwerken die in de verschillende kasteelvertrekken te zien zijn.
En hoe verwerkt Connie Palmen haar sehnsucht in haar boeken?

Hieronder plaatsen we bij enkele kunstwerken van de tentoonstelling één of meer citaten van Connie Palmen.

1. Deimantas Narkevicius, Augesträumt (muziekvideo)

Met dat geleuter in mijn hoofd kan ik urenlang doorgaan, het is zo ongeveer de prettigste bezigheid die ik ken. Alles in het leven zoekt een vorm om zich tot uitdrukking te brengen, meen ik, en ik ben bijna twintig en ik kan mij geen mooier leven voorstellen dan het ontcijferen van al die vormen van uitdrukkingen, met als doel ze allemaal terug te voeren tot de lichtste en zwaarste van alle dingen: de woorden. Dat is het geluk en de bevrijding, het verwoorden van alles wat daar niet eens om vraagt.
Bij vlagen maak ik me zorgen over mijn toekomst, omdat ik er geen idee van heb hoe die eruit moet zien als je grote geluk ligt bij zoiets als denken en woorden. (De vriendschap,druk 37, p.131)

2. Désiréé Dolron, XteriorsVI (foto)

Toen ik naar buiten rende, zag ik haar. Ze droeg een zwarte wollen winterjas, die tot op haar enkels reikte. Het liep tegen de twintig graden.
Ze stond er op een manier, zoals ik nog nooit iemand had zien staan, met een soevereine nonchalance: uitdagend, trots en onverschillig. De speelplaats was nagenoeg leeg en zij heerste over deze leegte. Ik bleef stilstaan om naar haar te kunnen kijken en ook omdat ik het opeens kinderachtig vond om met de anderen uit de klas een spel te gaan spelen. (De vriendschap, p.7)

‘Het ideaal behoort tot de wereld van de voorstellingen, een symbolische wereld, een fictionele wereld. Het is niet echt. Je kunt er geen verhouding mee beginnen. De verhouding die je met een ideaal hebt is een verhouding in je eigen, veilige wereld van de fantasie, een wereld waarin je zelf natuurlijk fantastisch bent en die ander ook, en waarin die liefde ook fantastisch is, hoe kan het anders in een ideale verhouding. God snurkt niet.’ (Een kleine filosofie van de moord)

3. Erwin Olaf, Troy (foto)

Daar met schrijven gestopt. Het ging niet meer; in de tussenliggende dagen mijd ik het openen van het logboek, ik moet er even niet aan denken, aan herlezen, bewerken, schrijven, aan me dit alles herinneren. Vandaag is hij vijf maanden dood. De duur ervan komt me onwerkelijk voor. Ik kan me niet voorstellen dat ik ze uur voor uur heb meegemaakt. (Logboek,druk 1, p. 102)

4. François Gérard, Teresa van Avila

(nvdr: voor de tentoonstelling heeft het Kasteel van Gaasbeek enkel het doek, en niet het kader, in bruikleen mogen nemen)

Machteloosheid, afhankelijkheid en weerloosheid zal ik altijd verbinden met liefde en geluk, altijd!” (De vriendschap, p.37)

5. Wim Delvoye, Betonmolen

Voor haar had het niet gehoeven, zei mijn moeder, dat haar kinderen goed konden leren en naar de universiteit gingen. Anderen hadden het een stuk gemakkelijker met hun kinderen, die gewoon waren en na een beroepsopleiding keurig in het pak liepen en de kost gingen verdienen, zodat die ouders nog wat aan hun kinderen hadden en zoals dat voor ons soort mensen ook in de lijn van de verwachtingen lag en goed was. Wij haalden ons vreemde dingen in het hoofd, omdat we altijd met de neus in de boeken zaten en daarin dingen lazen, die voor eenvoudige mensen onbegrijpelijk waren. (De vriendschap, p.140)

6. Camille Claudel, La Valse (1889)

Tijdens het dansen had ik niks te vertellen. Hij(=Thomas) leidde me met vaste hand, draaide me rond, tilde me op en hij lachte. Pas toen hij zijn handen erop legde, wist ik weer dat ik heupen had en door zijn manier van dansen wist ik ook wat voor soort minnaar het was, zo’n woeste, ruwe, wat onoplettende minnaar en ik bedacht dat dat net was wat ik kon hebben.
Van de aanraking met zijn lichaam en de slinkse zoenen die zo nu en dan in mijn nek belandden, raakte ik erg opgewonden en ik wist nu dat er geen sprake zou zijn van weerzien, maar dat hij die avond al met mij mee zou gaan en dat wij samen iets zouden beginnen waarvoor wij allebei niet in de wieg waren gelegd. (De vriendschap, p.261)

7. Erwin Olaf, foto uit de reeks Dawn & Dusk

Leven in de alomtegenwoordigheid van een afwezige is een verscheurende en bedwelmende staat die jou onbetrouwbaar maakt omdat niemand deze verdubbeling aan je afleest, omdat niemand zich kan voorstellen dat jij continu begeleid wordt door wat anderen zo nu en dan ervaren, kortstondig, de flits van een herinnering, een fel en kort gemis, een sneer van pijn en ongeloof. Het is een permanent aanwezig verleden dat het heden, waar je je uur voor uur doorheen knaagt, oneigenlijk maakt. Je ademt, je praat, je doet alsof je normaal bent, maar, net als de dode, ben je er en ben je er niet. (Logboek, p.73)

8. Mimesis van de Vlaamse kunstenaar Jan Van Oost (marmeren beeld)

Lucifer en judas, dat ben ik, dat is iemand die zo in iemand anders haakt dat alleen verraad, moord, de dood er een einde aan kan maken. Zoals ik behept ben met dat liefdesverlangen, zo ben ik behept met het altijd sluimerend verlangen naar de breuk, naar de vernietiging.
“Het is alsof je eraan dood wil gaan,” zegt Tas op een dag over die liefde.
“Neen, ik wil het niet,” zeg ik, “maar ik ben er wel toe bereid.” (Logboek, p.86)

9. Nedko Solakov, A Beauty 4 (meterslange cocon in een soort zachte pels , met daarin een holte die je uitnodigt om naar binnen te kijken)

(nvdr: deze afbeelding is niet dat van de cocon in het museum, maar wel soortgelijk)

Eén van haar truien noemde Ara zelf haar kasjmisère trui, een knalrode, die heel opvallend was en haar prachtig stond en die gemaakt was van superzachte wol, waar ik niet vanaf kon blijven. Speciaal voor mij liet ze dan in het speelkwartier haar jas openhangen, zodat ik met mijn wangen langs de stof van haar trui kon wrijven, wat ik heel lekker vond en Ara ook. Daardoor werd haar kasjmisère trui iets van ons samen. Of het nu warm of koud was, zonder jas ging Ara de straat niet op, maar ik kon ’s ochtends al aan haar ogen zien of zij onder haar jas die trui droeg. Ara kon je veel vertellen met haar gezicht, ze had allerlei uitdrukkingen en blikken bij de hand, en bij deze trui hoorde de ondeugende blik. Dan hield ze haar hoofd een beetje schuin, draaide haar ogen naar boven en lachte met gesloten mond twee kuiltjes in haar wangen. Als ze extra grappig wilde doen dan bleef ze mij zo aankijken, knoopte langzaam haar jas los en sloeg met een ferme beweging de twee panden open om mij te laten zien wat ze daaronder aanhad. (De vriendschap, p.95)

10. Andrea Appiani, De jonge Givra die vol ongeduld op haar minnaar wacht

De telefoon wordt een terreurmachine. Iedere dag wacht ik tot hij belt en mij een voorstel voor de avond doet, of ik bij hem kom eten. (De vriendschap, p.266)

11. Eric Rondepierre, Champs-Eysées (foto)

Magisch denken is het denken waarmee je meent een onverdraaglijk geworden werkelijkheid te kunnen beïnvloeden en veranderen. Magisch denken is in bed de plek naast je vrijhouden, zodat de gestorvenen zich daar weer op het kussen kan neervlijen als hij terugkomt, is zijn schoenen bewaren omdat hij ze nodig zal hebben als hij weer thuis is, is zijn mobiele telefoon opladen. (Logboek, p.130)

12. Marijke Van Warmerdam, In the distance (video: door een bedauwd of bewasemd venster zien we een man en een vrouw op een bankje )

“Misschien leef ik te veel in het verleden,” zegt hij (=Hans van Mierlo) verontschuldigend als we elkaar anderhalve week kennen en hij tranen in de ogen krijgt bij het horen van ‘La Mer’ van Charles Trenet.
“Ja, maar daar heb je ook zoveel van.”
“Wat komt dat er mooi meedogend uit,” zegt hij.(Logboek, p.106)

De tijd gedraagt zich als een trekharmonica, uiteen, ineen, voortdurend in een vouw. In elke minuut zingt de verleden tijd mee, het vorig jaar, elf jaar en vier maanden, de laatste weken van zijn leven. Het is alsof alles wat is gebeurd nog staat te gebeuren, erop wacht om zich aan mij te voltrekken. Dat hij nog moet sterven, dood in de kamer naast me moet liggen, we hem moeten begraven. (Logboek, p.227)

Bij het selecteren van zijn (= van Hans van Mierlo) bibliotheek –nog steeds op zoek naar elke streek van zijn pen, naar weggeborgen briefjes, aantekeningen, zijn hand –sla ik La Jolie Madame van Andrzej Szcypiorski open. Voorin staat … “p.25: Il n’y avait d’autre vie que les souvenirs”. Als ik pagina 25 opzoek heeft hij een passage uitgelicht door met kleine vierkante haakjes de eerste en de laatste zin te markeren. Het fragment is ingeklemd tussen “Elle pensa soudain que la vie était uniquement ce qui était passé” en “Rien n’existe hors de la mémoire”.
(Logboek, p.105)

13. Adam Fuss, foto (daguerreotype) uit de reeks The Space between Garden and Eve (maw je wordt gemaakt en geboren op een matras, en je eindigt er vaak ook…)

Wekenlang nu al blijf ik het liefst in ons bed, bedekt onder zijn en mijn verlatenheid. In bed ben ik bij hem, bij mijn verdriet om het verlies van mijn prachtige man. (Logboek, p.10)

De eerste twee jaar slapen we in elkaar op een matras van 1.40 m. Hij is bijna 1.90 m, ik bijna 1.60 m, met de helft van zijn gewicht. Als hij zich op zijn andere zij draait, haalt hij me als een aapje van zijn rug en vlijt me in de kromming van zijn romp en opgetrokken benen.
“Je kunt ons samen op een strijkplank leggen,” stelt hij een gastvrouw gerust als zij haar bezorgdheid uit over het smalle logeerbed. (Logboek, p 10)

Ik trek mijn jas en schoenen uit, ga naast hem liggen in het smalle ziekenhuisbed en hou hem vast. “Tijd zat”, zeg ik. (Logboek, p.190)


14. Joachim Koester, Pit Music (het 8ste strijkkwartet van Sjostakovitsj wordt in een orkestbak uitgevoerd, terwijl het publiek er van bovenaf op staat te kijken)

“Ik wil me nergens mee bemoeien als ik er niet meer ben, maar je weet toch wat ik zelf graag zou willen horen op mijn begrafenis?”
“Ja.”

We horen het voor het eerst samen op 11 november 1999 in Washington DC. Sinds vier dagen zijn we te gast bij Joris en Yvonne Vos in de Nederlandse residentie. Op 11 november laten we ons in de ochtend door een chauffeur naar het Vietnammonument brengen om daar de viering van Veterans Dab bij te wonen. Een paar dagen voor ons vertrek naar Amerika, heeft Hans met een delegatie van historici en jounalisten een bezoek gebracht aan de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog. Hij is nog steeds vervuld van het drama van Péronne, Ieper, Verdun en de slag bij de Somme, van een absurde oorlog waarvan niemand weet waarom die gevoerd werd. In Amerika wordt op Veterans Day het einde van de Eerste Wereldoorlog –op het 11de uur van de 11de dag van de 11de maand in 1918- herdacht. Bij The Wall, het monument waarin de 58.000 namen van de in de Vietnamoorlog gesneuvelde soldaten geëtst zijn, drukken mannen en vrouwen vellen papier tegen de namen van hun zonen en dochters en krassen die over met een pen of een potlood. Hans zijn hand ligt op mijn schouder en knijpt erin van ontroering. In de verte klinkt de muziek van een harmonie. We moeten een weiland oversteken om de plaats te bereiken waar het geluid vandaan komt. Hans heeft last van jicht in zijn rechtervoet, hij leunt op me. Midden in het weiland stopt hij. Ik denk dat hij even wil pauzeren omdat de pijn is verergerd, maar dan hoor ik hoe een diepe snik zich losmaakt uit zijn borst. Hij slaat een hand voor zijn mond. Het is niet voor het eerst dat ik hem zie huilen. Het is voor het eerst dat hij het huilen niet kan stoppen. Het duurt net zo lang tot het laatste woord van ‘Danny Boy’ over het weiland galmt. (Logboek p. 226)

14. Anselm Kiefer, Dein goldenes haar (gouache, stro, potlood en lijm)

39 kilo, mond aan flarden, keel in brand, kaken in de klem. Maag zanikt, darmen jammeren luidruchtig van de leegte, hart gaat tekeer, bonzend, pompend, tegen de klippen op. Binnenin door en door koud, buitenom biggelt zweet als tranen langs de flanken. ’s Nachts is het bed kil van afgekoelde, doordrenkte lakens. Hoe zinnelijk en ziekmakend de pijn ook is, de organen lijken me niet toe te behoren, het is alsof ze het los van mij op een brullen zetten.
Ze kunnen me niet vertegenwoordigen.
Niets kan mij vertegenwoordigen.
Er valt niemand te vertegenwoordigen.
Ik ben een gapend tekort. (Logboek,p.9)

15. Sam Dillemans , Troost

(nvdr: deze afbeelding is niet van het schilderij in het museum!)

Ondanks de thoraxdrain in zijn rechterlong, haalt hij in de nacht moeilijk adem. Leen en Soenoe, de verplegers die de nachtdienst draaien, komen regelmatig kijken. Ik lig tegen Hans aan, met mijn hoofd op zijn borstkast, en ik hoor en voel hoe zijn lichaam zwoegt, hoe het strijdt tegen het vocht. (Logboek, p.201)

16. Diana Rattray, Longing (pastel)

Nu ik tegen de twintig loop bekruipt me steeds vaker het gevoel dat er geen schot in de zaak zit. Het vordert niet. Om eerlijk te zijn valt het me ook een beetje tegen. De dingen waarvan ik vroeger dacht dat ze een ommekeer in het leven zouden betekenen, brengen nauwelijks een verschuiving teweeg. Zelfs die langverwachte dag waarop ik met koeieletters in mijn schrijft kon noteren dat ik een vrouw geworden was, … was niet het begin van een nieuw tijdperk. De stiekeme verwachting dat ik als bij toverslag in een soort volwassene zou veranderen, werd niet bewaarheid. (De vriendschap, p.126)

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online.
Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!

Dit bericht is geplaatst in boekenkunst met de tags , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *