Arundhati Roy: De God van Kleine Dingen (leesclub Pepingen)


Biografie

Suzanna Arundhati Roy werd in 1961 geboren in het zuiden van India. Naast schrijfster is zij ook beroemd als politiek activiste.
Zij is de dochter van een Syrisch-christelijke moeder en een hindoe-vader, eigenaar van een theeplantage. Zij heeft een oudere broer. Toen ze twee was, verliet haar moeder haar man (alcoholist) en keerde met haar kinderen terug naar haar familie in Aymanam.

Op haar 16de ging ze naar Delhi en startte met een studie aan de Delhi School of Architecture; daar leerde ze ook haar eerste man kennen. In 1984 ontmoette ze haar tweede man, de filmmaker Pradeep Kishen waarmee zij nu in Dehli woont. Zij heeft twee dochters; Hij introduceerde haar in de filmwereld. Ze speelde eerst enkele kleinere rollen en begon later ook draaiboeken te schrijven (In Which Annie Gives it Those Ones, Electric Moon en de televisieserie Banyan Tree).

In 1997 werd ze wereldberoemd met haar eerste roman The God of Small Things, volgens Arudhati Roy een semi-biografische roman, die in India veel wrevel opriep. Internationaal werd het boek heel erg geprezen en werd onder andere onderscheiden met de Booker Prize.

Na het succes van The God of Small Things wendde Arundhati Roy haar bekendheid bewust aan in politiek activisme en schreef ze eigenlijk alleen nog non-fictie. Daarbij richtte ze zich op een veelheid aan thema’s: ze is anti-globaliste, ze voerde campagne tegen het Indiase Narmada Dam-project, ze bekritiseert de rol van de Verenigde Staten in Afghanistan, het “staatsterrorisme” van Israël en het nucleaire programma van India, verklaarde de Aanslagen in Bombay van november 2008 vanuit de armoede in grote delen van India, verweet de Indiase regering dat ze genocide door de Tamils op Sri Lanka stimuleerde, voerde actie tegen de kap van het tropisch regenwoud, enzovoort.
Het duurde 20 jaar, nl. tot in 2017, voor er een nieuwe roman kwam. Het Kaaitheater in Brussel liep vol voor de komst van Arundhaty Roy. Ook in Nederland kwam ze haar boek voorstellen, maar daar verliep dat heel wat minder rustig. Indiase Nederlanders hebben er fel gedemonstreerd. Zij hadden het vooral moeilijk met haar steun voor de onafhankelijkheid van Kasjmir.

Bibliografie (van in het Nederlands vertaalde werken)

1997: De God van Kleine Dingen
1999: Het einde van illusies (essays)
2003: Oneindige gerechtigheid (essays)
2010: Luisteren naar sprinkhanen: aantekeningen over democratie (essays)
2017: Het ministerie van opperst geluk

Belangrijkste personages

Rachel: (getrouwd en gescheiden van Larry McCaslin)en Estha(ppen)
Ammu: getrouwd en gescheiden van Babu, krijgt later een verhouding met Velutha
Chacko: broer van Ammu, was getrouwd met Margaret Kochamma (die hertrouwde met Joe)
Sophie Mol: dochter van Chacko en Margaret Kochamma
Mamachi en Papachi: ouders van Ammu en Chacko, grootouders van Rachel, Estha en Sophie Mol
Baby Kochamma: groottante van Rachel en Estha, verliefd op Father Mulligan
Velutha: de onaanraakbare timmerman die een affaire heft met Ammu
Vellya Paapen en Kuttappen: vader en broer van Velutha
Kochu Maria: inwonende dienstvrouw van Baby Kochamma
Kameraad Pillai: leider van de communistische partij in Ayemenem

Situering:

Het verhaal speelt zich af in Ayemenem (=Aymanam) in de zuidelijke staat Kerala. De stad ligt aan de Meenachil rivier.

Voor wie meer boeken over India wil lezen:

Rohinton Mistry: Een wankel evenwicht
Aravind Adiga: De witte tijger (!)
Vikas Swarup: Slumdog Millionaire:
De boeken van V.S. Naipâul, Jhumpa Lahiri (!) en Salman Rushdie

Enkele vragen:

1. Verklaar de titel. Wie is trouwens die ‘God van Kleine Dingen’? Waarom wordt hij ook de ‘God van het verlies’ genoemd?
2. Gedurende het boek staan de ‘kleine dingen’ op gespannen voet met de ‘grote dingen’. Wat zijn volgens jou die kleine dingen, en die grote? Op welke manier geeft zij
die weer?
3. Roy behandelt in haar boek enkele maatschappelijke thema’s waarmee zij bepaalde gevoelige punten raakt. Welke?
4. Hoewel het verhaal zich in India afspeelt en enkele typische Indische thema’s behandelt, is dit boek een wereldklassieker geworden. Hoe komt dat, denk je?
5. Vergelijk de verhouding tussen Ammu en Velutha met die tussen Rahel en Estha.
6. Er komt nogal wat geweld/gruwel in het verhaal voor. Geef voorbeelden. Zijn ze nodig in dit verhaal?
7. Al heel vroeg weet je dat Sophie Mol zal sterven. Hoe houdt Roy er toch de spanning in. Op welke manier heeft ze het boek opgebouwd?
8. Beschrijf de rivier als de tweeling jong is met de rivier als Rahel jaren later terugkomt.
9. Roy geeft geen fraai beeld over de toeristen. Vertel.
10. Geef een beeld van de Indische kastenmaatschappij. Volgens een India-kenner verschilt die niet zo veel van onze ‘vroegere’ standenmaatschappij. Akkoord?

‘India is een land dat gelijktijdig in verschillende eeuwen leeft (23 juni 2017 SDL . Kathy Mathys)

Twintig jaar na haar bekroonde debuutroman heeft Arundhati Roy opnieuw fictie over India geschreven. ‘Schrijven is alles voor me’, zegt ze over Het ministerie van Opperst Geluk

‘Ja, ik geniet hiervan’, vertelt de Indiase schrijfster Arundhati Roy (55) over de wereldwijde tournee die ze maakt naar aanleiding van haar tweede roman. ‘Het scheelt dat ik het niet om de twee jaar hoef te doen. Het is lang geleden.’ Twintig jaar maar liefst. Sinds de verschijning van haar fictiedebuut schreef Roy vijf non-fictieboeken en ze werd bekend als activist.

Fictie schrijven is voor haar helemaal niet vergelijkbaar met non-fictie schrijven. Haar artikelen en essays noemt ze zelf ‘interventies’. Het zijn reacties op de mistoestanden die plaatsvinden in India, het land waar de schrijfster woont. ‘Wanneer de regering beslist om massaal woud te kappen of om iemand op te hangen, schiet ik in actie. Snelheid is dan cruciaal. Wanneer ik verhalen schrijf, gaat het net omgekeerd. Dan werk ik traag, neem ik de tijd.’

Het is twintig jaar geleden dat Arundhati Roy de Booker Prize won voor De god van kleine dingen. Voor de kiem van de opvolger van dat boek, Het ministerie van Opperst Geluk, moeten we tien jaar terug gaan. ‘Ik heb de voorbije jaren veel gereisd en daardoor is mijn inzicht in de gigantische machine die deze wereld is groter geworden. Ik wilde de dingen die ik heb geleerd gebruiken in een roman.’ Roys romans lijken wel tegengesteld aan elkaar. ‘Mijn eerste boek ging over een familie die landelijk woont en lijdt aan een gigantisch verdriet. Het is een samenhangend, intiem verhaal. Mijn nieuwe roman is weids, vertakt, explosief. Er doen juist heel veel personages in mee. Allemaal maken ze deel uit van een wereld die voor de buitenstaander anarchistisch kan aandoen, terwijl er juist sprake is van een rigide kastesysteem. Alles is strak geordend.’
De manier waarop de schrijfster praat over haar personages is liefdevol. ‘Eerst bezoeken ze je, daarna trekken ze bij je in’, zegt ze daarover. Zelfs nu nog praten ze tegen haar. ‘Ze blijven altijd bij me, zelfs die uit mijn eerste roman.’

Twee locaties zijn belangrijk in Roys nieuwe boek: Delhi, waar Anjum is verhuisd naar een begraafplaats. Ze krijgt er mensen over de vloer die zich niet thuis voelen in het nieuwe Delhi dat zich naar westers model tot een superstad begint te ontwikkelen. Het is geen toeval dat de schrijfster koos voor een begraafplaats: moslims begraven hun doden, in tegenstelling tot hindoes, en die moslims worden in Delhi onderdrukt. De tweede locatie is Kasjmir, waar een bloedige en ingewikkelde oorlog wordt gevoerd. In dat deel van het boek staat Tilo centraal, een vrouw op wie drie mannelijke personages verliefd zijn.

Werd u onder druk gezet om opnieuw een soort ‘De god van kleine dingen’ te schrijven?
‘Niet echt. Mijn agent wist dat ik tijd nodig had. Natuurlijk kreeg ik na de Booker Prize allerlei aanbiedingen. Ik had twee jaar later gerust een nieuw boek kunnen publiceren. Alleen wilde ik dat niet. Hoe hou ik het avontuurlijk en gevaarlijk? Dat was de voorbije 2/3 jaren mijn centrale vraag. Ik wilde experimenteren met de vorm en wist dat dit niet door iedereen gewaardeerd zou worden. Toch moest ik het doen. We leven in een wereld die heel druk is, waarin veel dingen terzelfder tijd gebeuren. We worden bestookt met berichten allerhande. Ik zou het zelfs als een invasie willen beschrijven. Verder is de lucht die we inademen sterk politiek geladen. Kan ik de vorm van de roman breken zodat ik een verhaal krijg dat zowel persoonlijk is, intiem, als politiek geladen? Dat vroeg ik me af.’

Is het gelukt, volgens u?

‘Ik denk van wel. Ik zie mijn tweede roman als een stad en dan heb ik het niet over de letterlijke setting maar over de structuur. Grootsteden zijn vaak chaotisch en onoverzichtelijk voor buitenstaanders. Het duurt een tijd voor je er je weg vindt. Er lopen grote boulevards en kleine weggetjes. Sommigen vinden hun plek in de stad, anderen niet. Hier en daar is er sprake van wegversperringen. Zo is het ook met de structuur. Er zijn doodlopende wegen, niet alles wordt even netjes uitgewerkt. Het boek heeft een hybride en luidruchtig karakter, er staan pamfletten in, politieberichten, brieven. Dat past bij de rumoerige wereld waarin we leven.’ De focus ligt op personages die aan de rand staan, onconventionele spelers, zeker de vrouwelijke personages.

Wat wilt u daarmee vertellen?

‘Wanneer mensen me vragen hoe de vrouwen zijn in India, antwoord ik: welke? Het is namelijk een land dat gelijktijdig in verschillende eeuwen leeft. In India vind je de meest vrije, onverschrokken vrouwen die je je maar kunt voorstellen. Werkelijk, ik heb in de hele wereld nergens vrouwen van dat kaliber gezien. Ik heb het niet per se over vrouwen die ik waardeer, sommigen zijn topzakenlui, politici.’ ‘De meerderheid van de vrouwen wordt echter onderdrukt of op een of andere manier geweld aangedaan. Zolang mensen gebonden zijn door kaste of geloof is er geen vrijheid. Kun je op een of andere manier aan dat systeem ontsnappen of word je eruit gegooid, dan zijn er mogelijkheden. Mijn moeder was christelijk, mijn vader een hindoe. Dat was geen wenselijke verbintenis en na de echtscheiding werden mijn moeder en ik buitenstaanders. Ik ben een vrije geest kunnen worden omdat ik niet langer hoefde te spelen volgens de regels van het systeem. De mensen met wie ik omga, lijken op de personages in de roman. Vrouwen als Anjum of Tilo ken ik goed.’ ‘Het meest ben ik geïnteresseerd in personages die grenzen door hun lichaam hebben lopen. Misschien omdat ze ouders hebben die uit twee kasten komen of omdat ze zich verscheurd voelen op politiek vlak. Iedereen heeft meer dan één gezicht, alleen erkent niet iedereen dat of durft niet iedereen dat gegeven onder ogen te zien. In India wordt de mensen slechts één identiteit toegestaan. Je behoort tot die kaste en daarmee is de kous af. Onlangs was er een politicus die vond dat ik me als vrouw hoorde te gedragen. Blijkbaar is er in zijn ogen slechts één manier om vrouw te zijn. Hij vond dat ik als menselijk schild moest worden gebruikt.’

Heeft u het altijd bevrijdend gevonden om een buitenstaander te zijn?

‘In het begin niet. Ik ben opgegroeid in een klein dorpje en kreeg voortdurend te horen dat niemand met mij zou willen trouwen. Aanvankelijk stond ik erg geïsoleerd, het was pas als volwassene dat ik me bevrijd voelde. Schrijven heeft daarbij geholpen. Delhi was in het begin intimiderend, maar daarna ging ik architectuur studeren en dat heeft mijn onzekerheid verminderd. Nu is het een echte thuis.’

In hoeverre zijn de personages die bij u op de voorgrond staan zichtbaar in de stad?

‘Je zou ze wel zien, als jij er rondliep als buitenstaander, maar je zou ze niet herkennen. Stel dat er een wachter bij een poort staat, dan zou je niet weten wat zijn achtergrond is, waar hij vandaan komt, wat hij heeft meegemaakt. Dat vind ik nu net interessant. Dat wilde ik centraal stellen in het boek en dat kun je alleen doen in fictie. Weet je, in de meeste boeken heb je een paar centrale personages die opereren binnen een landschap. Ik wilde dat het landschap naar voren treedt en dag zegt tegen de lezer. Ik wilde élk verhaal laten weerklinken.’

U staat uitgebreid stil bij het moment waarop Delhi een moderne, haast westerse stad begint te worden. Is er in een stad die gericht is op de toekomst nog ruimte om terug te blikken op het verleden?

‘In Delhi, net als elders in India, wordt er wel degelijk teruggeblikt. Alleen gebeurt het op een manier die het niet nauw neemt met de feiten. Mythe en werkelijkheid worden door elkaar gehaald. Goden uit een ver verleden worden verheven tot legale entiteiten door rechtbanken, personages uit mythen worden historische personages. Zolang het de machthebbers uitkomt, zijn ze bereid om daarin heel ver te gaan. De grens tussen geschiedenis en mythologie is veel te poreus in India. Dat is gevaarlijk in een land waar een groot deel van de bevolking ongeletterd is. Wat er ook maar op een groot scherm wordt geprojecteerd: velen zijn bereid het te geloven.’ ‘Wat dat moment betreft waarop Delhi een westerse stad werd: voor mij is dat een van de grote keerpunten. Ik heb veel over die periode geschreven in mijn non-fictieboeken. Miljoenen mensen werden onteigend omdat ze plaats dienden te ruimen voor moderne gebouwen, industrie. Ik word een antinationalist genoemd door de regering omdat ik me zogenaamd verzet tegen modernisering. Maar mij gaat het vooral om het lot van de armen die nergens nog terechtkunnen; zelfs de sloppenwijken worden ontruimd.’ ‘Sinds de nieuwe regering aan de macht is, is de toestand veel zorgwekkender. Alle elementen die niet binnen het hindoeïstische profiel passen, worden weggezuiverd. Onlangs was er een raid bij een gematigd televisiestation. We glijden af naar een fascistisch klimaat, klonk het zelfs uit de mond van enkele conservatieve politici.’

Waarom is een roman geschikt om het verhaal van Kasjmir te vertellen?

‘Eigenlijk kun je over Kasjmir beter fictie schrijven dan non-fictie. Je kunt de arrestaties, folteringen en moorden wel opsommen, maar dat vertelt een buitenstaander weinig over hoe de oorlog de gemeenschap aantast. Daar heb je personages voor nodig. Ik wilde ook de reactie van India op die oorlog laten zien. In India worden we verondersteld te applaudisseren voor de manier waarop de bevolking van Kasjmir wordt onderdrukt.’ ‘Voor mij zijn er twee begraafplaatsen in het boek, die in Delhi en dan een metaforische: Kasjmir. Een van de personages merkt op dat de doden nooit verdwijnen in Kasjmir en dat de levenden meer dood zijn dan levend. De scheidingslijn tussen de doden en de levenden bestaat er nauwelijks. Al die elementen kun je veel beter laten weerklinken in een verhaal dan in een krantenverslag.’

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online. Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!
Dit bericht is geplaatst in bibliotheek Pepingen met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *