Stephan Enter: Compassie (verslag leesclub Dilbeek)

Stephan Enter:

In de leesclub van Pepingen besprak ik vorig jaar ‘Grip’ van Stephan Enter. Dat viel zo goed mee, dat ik meteen ook zijn laatste roman ‘Compassie’ las en wilde delen met een andere leesclub. Ondertussen wordt er ook een nieuwe roman aangekondigd voor het najaar, titel voorlopig nog niet bekend.

Op zoek naar achtergrondinformatie voor de leesavond, vond ik een interview die Merijn de Boer van hem afnam. Merijn de Boer is niet alleen een schrijver van wie ik houd (Zie mijn bespreking van zijn roman ’t Jagthuys), hij stelde Stephan Enter bij het verschijnen van ‘Compassie’ die vragen die ik zelf aan de leesclub wil voorleggen. Waarom dan het warm water uitvinden? Bovendien krijgen de lezers dan ook meteen het antwoord van de auteur himself.

De vragen:

1. Frank en Jessica leren elkaar via internetdating kennen. Waarin verschilt zo’n kennismaking met een ‘gewone’ ontmoeting?
2. Is ‘Compassie’ een roman of een novelle?
3. Wat vind je van de stijl en de opbouw van het verhaal?
4. Hoe zou je de hoofdpersonages beschrijven?
5. Denk je dat het noodzakelijk is dat een hoofdpersonage sympathiek is?
6. Tot nu toe hebben de boeken van Stephan Enter een titel die bestaat uit één woord. Wat vind je daarvan?
7. Waarom valt Frank op Jessica en Jessica op Frank?
8. In de roman is er ook een rol weggelegd voor Franks ex-vriendin. Denk je niet dat Frank uiteindelijk het beste af is met háár?
9. Het boek begint met een motto van een sprookje. Er komen veel verwijzingen naar sprookjes in het verhaal voor. Waarom, denk je?
10. Hoe eindigt het verhaal?

Het hele interview vind je onderaan dit verslag. Alleen de laatste vraag heb ik zelf toegevoegd.

De mening van de leesclublezer:

Het merendeel van de lezers vond ‘Compassie’ een schitterend liefdesverhaal met een prachtig einde. Zo van: “eind goed, al goed”, een sprookje dat eindigt met “en ze leefden nog lang en gelukkig en kregen vele kindertjes”. En zelfs al zagen anderen het verhaal heel anders eindigen, en bleek bij het herlezen van het laatste hoofdstuk en uit het interview dat de relatie tussen Frank en Jessica inderdaad voltooid verleden tijd is, dan nog hadden die romantische zielen zich zo door dit verhaal laten meeslepen dat het hen moeite kostte om alles zomaar eventjes te herbekijken.

Enkele lezers hielden niet van het boek. Als reden gaven ze op dat ze zich absoluut niet in de personages konden inleven. Frank en Jessica vonden ze koude persoonlijkheden. Toch moesten ze toegeven dat hun persoonlijkheid heel goed uitgewerkt was. De vijfde vraag die Stephan Enter voorgeschoteld kreeg, nl. “Denk je dat het noodzakelijk is dat een hoofdpersonage sympathiek is?” lokte een lange discussie uit, die eigenlijk vooral leidde naar: “Moet je je in een personage kunnen inleven of niet?”

En daar kreeg ik, leesclubbegeleider, het moeilijk, wist ik even niet meer wat ik moest zeggen. Eén van de voordelen van boeken lezen is juist dat je enkel in boeken gedachten van anderen kan lezen. En daardoor kan je je via romans oefenen in empathie. Frank gedraagt zich inderdaad als een kwal. Maar door de manier waarop Stephan Enter het verhaal opbouwt en zijn personages meer begint te duiden, begin je ook begrip voor het mannelijk hoofdpersonage te krijgen, en meer in het algemeen voor alle kwallen die we al ontmoet hebben. Iedereen in onze groep kende wel een man als Frank…
En Jessica? Jessica is een open en gesloten boek tegelijk. Alles in de relatie lijkt heel goed te gaan, tot zij plotseling begint te huilen. Waarom? Verrassen doen ze wel, onze personages. Maar koud? Ongevoelig?
Soit, ik kreeg het moeilijk omdat ik de lezers uiteindelijk niet kan verplichten zich in te leven in personages die ze absoluut niet zien zitten. Maar om op basis daarvan het boek niet te appreciëren? Het is hun goed recht, maar ik voelde me als begeleidster wel een beetje te kort komen. Je keurt de roman ‘Madame Bovary’ toch ook niet af omdat het hoofdpersonage zich anders gedraagt dan je zou willen?

Tot slot: zowat de helft van de lezers heeft het einde van het boek anders geïnterpreteerd dan bedoeld. Is dat erg? Waarschijnlijk niet. Heeft de schrijver zijn intenties niet waargemaakt? Of juist wel? Zoals ik al zei, het merendeel van de lezers vond ‘Compassie’ een schitterend liefdesverhaal met een prachtig einde, waarover ze nu, nu zelfs het tegendeel aangetoond werd, nog altijd sprookjesachtig mijmeren. Een op zijn minst vreemde ervaring.

Interview bij het verschijnen van Compassie (april 2015)
afgenomen door Merijn de Boer, auteur en voormalig redacteur van tijdschrift Tirade. Overgenomen van de blog www.stephanenter.be:

Hoe is dit nieuwe boek ontstaan?
Zoals bij eerdere boeken zijn er ook deze keer diverse ‘initiatiemomenten’, of hoe je het ook wilt noemen, aan te wijzen. De belangrijkste daarvan is misschien wel dat ik gefascineerd raakte door het besef dat er iets is veranderd aan de manier waarop je je geliefde kunt ontmoeten. Twintig jaar geleden kwam je de ander tegen bij een sportvereniging, via vrienden, op je werk. Tegenwoordig ontmoeten veel mensen elkaar via internetdating. En daar kleven een paar heel merkwaardige aspecten aan. Wanneer je iemand op de ‘gewone’ manier ontmoet, weet je bijvoorbeeld meteen hoe die ander ruikt, wat voor stem die ander heeft, hoe de ander zich beweegt. Bij internetdaten vormen mensen zich soms al helemaal een beeld voordat de eerste echte ontmoeting heeft plaatsgevonden. En dat kan tot vreemde, vaak ook pijnlijke situaties leiden. Een andere merkwaardige kant van het internetdaten is dat de kaarten meteen open op tafel liggen: je wéét van de ander dat die ook op zoek is. Dat verandert natuurlijk van alles aan de hofmakerij – als je daar überhaupt nog van kunt spreken.

Compassie houdt het midden tussen een roman en een novelle. Wat is het volgens jou?
Een roman, toch? Als ik het me goed herinner van mijn verder niet zo zinvolle studie wordt een prozaverhaal van vijftig à honderd pagina’s een novelle genoemd. Compassie komt tot boven de honderdvijftig, dus dat lijkt me duidelijk. En verder dacht ik dat een novelle zich kenmerkt door een klein aantal personages, dat zou dan kunnen kloppen, maar ook door slechts één bijzondere gebeurtenis – en dat gaat voor mijn boek helemaal niet op, want het boek beschrijft allerlei ingrijpende gebeurtenissen en een hele ontwikkelingsgang van het hoofdpersonage. Maar eigenlijk is Compassie ook nog iets anders: het is een sprookje. Het boek begint niet voor niets met een motto dat een citaat is uit een sprookje van Grimm, en eigenlijk is dat motto meteen de kortste samenvatting van het boek. Bovendien heeft Compassie allerlei elementen in zich die aan een klassiek sprookje doen denken. Hoogmoed komt voor de val, bijvoorbeeld. En het korte laatste hoofdstuk, dat een flashback is, bevat in zekere zin ook een klassieke ‘moraal van het verhaal’. Maar als ik daarover ga uitweiden, verklap ik te veel.

Compassie is anders van stijl en toon dan bijvoorbeeld je laatste boek Grip. Ging dat vanzelf of was het een bewuste keuze om het nu eens anders aan te pakken?
Het was bewust. Natúúrlijk, zou ik zeggen. Een schrijver die niet grondig nadenkt over hoe hij zijn boek in elkaar gaat zetten is – ja, wat is dat voor schrijver? In eerste instantie had ik Compassie in de derde persoon verleden tijd gedacht. Later werkte ik de tekst die ik toen had om naar de eerste persoon verleden tijd. Maar toen las ik A sport and a pastime van James Salter. En hoewel ik het werk van Salter flagrante kitsch vind, zag ik wel dat die eerste persoon tegenwoordige tijd uit A sport bij mij heel goed zou werken. Je zit dan echt helemaal opgesloten in het hoofdpersonage en gaat als lezer mee met elke gedachtenwending die Frank maakt. Tsja, zo gaan die dingen, je doet soms mooie ideeën op bij het lezen van flutboeken. En verder past ook de lichtere toon beter bij het personage. Het zou natuurlijk bizar zijn als je vanuit deze Frank zou denken in een taal die net zo rijk is aan metaforen als Grip. Wat daarvoor in de plaats komt: meer ironie, en misschien ook een persoonlijker toon, waardoor alles dichter op de huid komt.

Hoe zou je het karakter van hoofdpersoon Frank van Luijn omschrijven?
In het begin is Frank ontzettend blasé, hij is al jaren blasé, hij vindt zichzelf interessanter en ontwikkelder dan zijn omgeving, maar gaandeweg het boek wordt zijn zelfgenoegzaamheid laagje voor laagje als oud behang van hem afgetrokken. Hoewel hij trouwens van tijd tot tijd wel weer even terugvalt in zijn vroegere blaséheid.

Denk je dat het noodzakelijk is dat een hoofdpersonage sympathiek is?
O nee, integendeel. Ik vind het interessant de lezer meteen wakker te schudden met een personage dat niet helemaal deugt, of liegt, of ijdel is, of, zoals in dit geval, nogal met zichzelf ingenomen is en denkt dat hij wel weet hoe de wereld in elkaar zit. Daar zijn in de wereldliteratuur trouwens ook prachtige voorbeelden van aan te wijzen: Emma van Jane Austen bijvoorbeeld, of Jevgeni Onegin van Poesjkin.

Je hebt tot nu toe een voorkeur laten zien voor titels die bestaan uit één woord. Ben je van plan om daar je hele oeuvre mee door te gaan? En waarom koos je voor deze titel?
Geloof het of niet, maar die titels van één woord, dat is toeval. Ik zoek naar de beste titel en ben daarbij dusverre steeds op een titel van één woord uitgekomen. Maar voor mijn vorige boek had ik eerst een langere titel, tot mijn redacteur Menno Hartman met een beter alternatief kwam: Grip. Mijn nu komende boek heeft trouwens een werktitel die evenveel woorden telt als alle vorige titels bij elkaar.

Frank valt als een blok voor de half-Duitse Jessica. Wat trekt hem zo in haar aan? En is er een sleutelscène aan te wijzen waarin zijn liefde voor haar blijkt?
In eerste instantie valt hij op haar foto. Ze lijkt onbevangener, echter, dan alle andere vrouwen die hij op de datingsite is tegengekomen. Als ze dan ook nog eens in hun eerste schriftelijke contact heel kritisch is over zijn profiel, is zijn belangstelling helemáál gewekt. En hoe dat verder gaat… als ik dat zeg, loop ik opnieuw het risico te veel te verklappen, lijkt me.

Waarom valt Jessica op Frank?
Dat ligt ingewikkelder, omdat je als lezer zo in Frank opgesloten zit. Maar tussen de regels door is het wel te zien denk ik. Zij valt onder anderen op hem omdat hun intelligentie matcht, ze zegt een keer tegen hem dat hij “de intelligentste man – niet vrouw -” is die ze ooit is tegengekomen. Verder kunnen ze ontzettend met elkaar lachen, dat blijkt ook voortdurend. En ze vindt hem aantrekkelijk.

In de roman is er ook een rol weggelegd voor Franks ex-vriendin. Denk je niet dat Frank uiteindelijk het beste af is met háár?
Je zou, na het dramatische verloop van Compassie, bijna geneigd zijn te zeggen: ‘Ja.’ Maar dan ga je voorbij aan wat Frank is overkomen: hij heeft in Jessica voor het eerst een echte zielsverwant herkend. De seks met zijn natuurkunde-ex was fantastisch, maar ze is, ondanks dat ze iets met elkaar hebben gehad, nooit in de buurt gekomen van een twin soul – hooguit was ze een goede vriendin, zoals ze nu nog steeds is.

Welke schrijvers bewonder je?
Virginia Woolf, Tsjechov, Poesjkin, Flaubert, Proust, Nabokov, Jane Austen, Hamsun, Mann, de vroege Updike. En nog veel meer. Laatste ontdekking is George Orwell. Op de middelbare school heb ik met hangen en wurgen 1984 gelezen, en hem daarna nooit meer een kans gegeven. Onterecht, want hij is een erg goede en veelzijdige schrijver, met een stijl die opvallend helder en fris aandoet. Als je zijn werk leest krijg je de indruk dat het ook vijf jaar geleden geschreven zou kunnen zijn, inplaats van zeventig of tachtig.

Je boeken zijn inmiddels verscheidene malen vertaald. Lees je al die vertalingen mee of vertrouw je op je vertalers?
Haha, ja, kon ik dat maar, al die vertalingen meelezen. Dat zou betekenen dat ik inmiddels minstens zeven, acht talen zou spreken. Nee, ik heb wel samengewerkt met de zeer deskundige Duitse vertaalster, Christiane Kuby, van Spiel en Im Griff, en ik heb de Franse vertaling van Grip gelezen. Maar Italiaans en Noors, en helemaal Hongaars, dat ligt helaas buiten mijn vermogens. Sommige vertalers sturen je vragen over de tekst, dat vind ik erg interessant. Het gaat er dan vaak over of een uitspraak of een bepaalde observatie van een personage ironisch moet worden opgevat. Ironie, de nuance daarvan, is iets dat blijkbaar per land verschilt. Wat je wel een beetje kunt zien, ook als je een taal niet kent, dat is of het ritme van de oorspronkelijke tekst is gehandhaafd – of lange zinnen lang zijn gelaten en korte kort. Maar of metaforen en typisch Nederlandse zegswijzen ook goed en vooral niet-clichématig vertaald zijn, dat is al een stuk moeilijker te controleren in een echt vreemde taal. Nee, je moet het loslaten en vertrouwen op de kundigheid van de vertaler. Uit specifieke reacties van de pers van het betreffende land valt overigens vaak wel weer af te leiden of ze een kwalitatief hoogwaardige vertaling onder ogen hebben gekregen.

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online. Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!
Dit bericht is geplaatst in bibliotheek Dilbeek met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *