Hagar Peeters: Malva (leesclub Dilbeek oktober 2017)

(Hagar Peeters leest voor uit haar dichtbundel Koffers Zeelucht op de High Tea Poetry in B&B Debruyne in Brugge (Bru-Taal Literatuurfestival 2017)

Biografie en bibliografie: overgenomen uit https://www.debezigebij.nl/auteurs/hagar-peeters/

Hagar Peeters (1972) studeerde Cultuurgeschiedenis en Algemene Letteren aan de Universiteit van Utrecht en was redacteur bij het Historisch Nieuwsblad. Haar performance op het Double Talk-festival in 1997 bleek voor haar de doorbraak: ze werd gevraagd op te treden bij De Nacht van de Poëzie en Crossing Border, nog voordat zij was gedebuteerd. Dat zou gebeuren in 1999, met Genoeg gedicht over de liefde vandaag. Daarna publiceerde ze Gerrit de stotteraar. Biografie van een boef (2001), waarvoor zij de Nationale Scriptieprijs 2001 van Het Parool kreeg.
In 2003 verscheen bij De Bezige Bij haar tweede dichtbundel Koffers zeelucht, die werd bekroond met de Jo Peters Poëzieprijs en de J.C. Bloemprijs. Ook verkoos de Poëzieclub ‘Droombeeld’ tot een van de drie mooiste gedichten van het jaar. De bundel werd vele malen herdrukt, onder andere met een CD waarop ze haar gedichten voorleest. In het najaar van 2008 verscheen de bundel Loper van licht. Voor de dichtbundel Wasdom(januari 2011) verzamelde Hagar Peeters haar meest recente poëzie, gecombineerd met een selectie uit de gedichten die ze vóór haar twintigste schreef. In 2014 schreef ze het nawoord voor de jubileumeditie van Harry Mulisch’ Voer voor psychologen. In september 2015 verscheen haar alom geprezen debuutroman Malva. Het boek werd bekroond met de eerste Fintro Literatuurprijs (voormalige Gouden Boekenuil) 2016 en genomineerd voor de Opzij Literatuurprijs, de Libris Literatuurprijs, de Bronzen Uil, de Inktaap en de ANV Debutantenprijs.

Malva

Malva was de dochter van Pablo Neruda en de Nederlandse Maria Hagenaar. Maria leefde in Nederlands-Indië, waar ze in 1930 Pablo als jonge Chileense diplomaat ontmoette. Dit huwelijk hield Maria weg uit de Japanse kampen, maar via grillige omwegen deed haar dat wel in het doorgangskamp Westerbork belanden.
Pablo en Maria kregen één dochter dat helaas met een waterhoofd geboren werd. Pablo Neruda liet zich al vlug van zijn vrouw scheiden. In zijn memoires ‘Ik beken, ik heb geleefd. Herinneringen’ weidt hij geen woord aan beiden.
Malva stierf op 8-jarige leeftijd.
Bekijk zeker het introductiefilmpje van Malva op https://www.youtube.com/watch?v=CVwj91ybdcE. Hier zie je beelden van Malva, waaruit blijkt dat zij niet “de vampier, de bloedzuigster, het gedrocht, het monster, un ser perfectamente ridiculo, het volmaakt belachtelijk wezen, een puntkomma” was waarvoor haar vader, Pablo Neruda, haar uitmaakte in brieven die niet voor publicatie bedoeld waren. (Malva, p. 17)
*het boek deed de leesgroep denken aan Rosa Montero’s Het absurde idee je nooit meer te zien, waarin de schrijfster via de omweg van Marie Curies leven haar eigen verdriet probeert weer te geven. Hierbij valt wel op dat Hagar Peeters zich bij dit procede veel meer laat kennen dan Rosa Montero.
*de idee van een dode die spreekt deed de leesclubleden ook denken aan de televisiereeks Beau Séjour.
*Het leven van Maria Hagenaar werd in 2010 uitgebreid beschreven door Pauline Slot in En het vergeten zo lang.

Hagar Peeters en haar vader

In haar boek laat Hagar de gestorven Malva vanuit de hemel Hagar haar memoires neerschrijven. Nogal surrealistisch, maar hoe gek ook toch heel realistisch weergegeven. Malva kiest Hagar voor die taak uit, omdat ze vermoedt dat Hagar haar meer dan wie ook kan begrijpen.
Tot haar elfde weigerde Hagars vader Herman Vuijsje, bekend socioloog en schrijver, enig contact met zijn dochter. “Toen Hagar geboren werd, was ik nog niet toe aan het vaderschap”, zegt hij. Zie het artikel van 11 juni 2016 in De Standaard Weekend dat hieronder integraal overgenomen wordt.

Hagar Peeters en poëzie

Hagar Peeters is een dichteres en dat merk je niet alleen aan haar poëtische stijl, maar ook aan de verschillende gedichten die in de roman opgenomen zijn. Uiteindelijk is deze roman ook een prima gelegenheid om poëzie in een leesgroep te bespreken: zoals

‘verzen bij de geboorte van Malva Marina Neruda’ van Neruda’s vriend Federico García Lorca (Malva, p. 166, de uitleg krijg je er gratis bij)

Kon ik je maar zien, Malva Marina,
dolfijn van liefde op oude golven,
wanneer de wals van jouw Amerika gif
en bloed puurt uit een sterfelijke duif.

Kon iemand maar de donkere voeten breken
van de nacht die tot de rotsen blaft,
en stilleggen die immense, trieste wind
die dahlia’s wegblaast en schaduwen terugbrengt!

De witte Olifant denkt na:
geeft hij jou een zwaard of een roos?
Java, vlammen van staal en groene hand,
de zee van Chili, walsen en kransen.

Klein meisje van Madrid, Malva Marina,
bloemen of schelpen wil ik je niet geven;
een takje zout en liefde, hemels licht,
leg ik denkend aan jou op je mond.

Ook Szymborkska wordt vaak geciteerd, p. 181

En alleen wij, de weinigen van wie de pels niet wordt gevild,
het gebeente niet wordt uitgehaald, gevederte niet uitgetrokken,
gerespecteed met stekels, schubben, hoorns, slagtanden
en met wat het vindingrijke eiwit
sommigen van ons nog meer heeft toebedacht –
wij zijn, o grote heer, uw droom,
die u een ogeblikje van uw schuld bevrijdt.

(…)

nietig schepseltje, bijna uit iets halfs geschapen,
toch een geheel dat voor geen ander onderdoet;
zo licht dat onder mij de takjes opstijgen
en mij allang tenhemel hadden kunnen varen,
als ik niet keer op keer
gelijk een steen moest vallen
van een mensenhart dat van vertedering overloopt;
ik spookdiertje,
ik weet hoe nodig het is dat er spookdiertjes zijn.

En tenslotte wil ik ook een gedicht van Hagar Peeters zelf citeren, het eerste gedicht uit haar dichtbundel Koffers Zeelucht:

Vannacht kwam ik mijn ouders tegen,
twee bleke schimmen die naar elkaar
toe negen in het witte licht van een lantaarn.

Aan hun geluk te zien kon ik nog niet
geboren zijn. Ze waren jong en heel verliefd.
Een groot verdriet bedroefde mij
omdat ik wist hoe het zou verdergaan.

Zij schaterde om iets dat hij haar toegefluisterd had.
Hij lachte hard zoals hij nog vaak doet.
We wisselden een beleefde groet
en daarna scheidden zich weer onze wegen.

“Wacht maar”, riep ik hen na,
wij komen elkaar nog wel eens tegen.
Gearmd gingen ze zwijgend om een hoek.

En Neruda?

Tijdens onze leesclubbijeenkomst hadden we geen zin meer om een gedicht van Neruda te lezen. Hij die zo mooi over de liefde kon schrijven, bleek zo hardvochtig geweest te zijn met zijn eigen vrouw en kind.
Toch bleek hij niet de enige kunstenaar die zijn kind met een beperking de rug toekeerde. In Malva passeren verschillende van die kinderen de revue, zoals Lucia, de vermeende schizofrene dochter van James Joyce en Daniel, de zoon met downsyndroom van Arthur Miller.
Alles voor de kunst?

——————————–

FINTRO LITERATUURPIJS-WINNARES HAGAR PEETERS EN VADER HERMAN VUIJSJE (11 juni 2016 Filip Rogiers)

‘Ik denk dat het contact er sowieso wel gekomen zou zijn’

Tot haar elfde stond vader Herman Vuijsje met het gezicht naar de wereld en met de rug naar haar. In de net bekroonde roman ‘Malva’ verweeft Hagar Peeters hun verhaal met dat van Pablo Neruda en zijn verstoten dochter. Voor één keer willen ze het er samen over hebben. ‘Toen Hagar geboren werd, was ik nog niet toe aan het vaderschap.’

Herman Vuijsje: ‘Ik herinner mij geen brieven. Wel heb je mij gebeld. Je had een toespraak voorbereid en die heb je in twee delen ingesproken op mijn antwoordapparaat.’ Vorige afbeeldingVolgende afbeelding Vorige groep afbeeldingen in deze set
Herman Vuijsje: ‘Ik herinner mij geen brieven. Wel heb je mij gebeld. Je had een toespraak voorbereid en die heb je in twee delen ingesproken op mijn antwoordapparaat.’

‘Dag pap, ik wil wel, jij ook?’

Vijf minuten nadat we ­Hagar Peeters (44), kersvers winnares van de Fintro Literatuurprijs, gemaild hadden met de vraag of ze een dubbelgesprek met haar vader wilde overwegen, stuurde zij hem die zin. Ze liet ons meteen meelezen, als wou ze hem zachtjes insluiten. Zoals ze hem en zichzelf verdichtte in haar roman. Of zoals ze hem op haar elfde met een brief in haar leven wilde schrijven.

Hij wou wel, antwoordde hij, maar tussen de regels was zijn reserve voelbaar. Herman Vuijsje (70) is socioloog en journalist, een man van feiten. Hij formuleert sec, houdt van de grootste helderheid. Bij haar klappen de zinnen vaker open in poëzie en haar gedachten laat ze meanderen. Het is haar manier om er iets heel precies mee uit te drukken. Alleen de beste dichters kunnen dat. Wat zij is, dat vond Gerrit Komrij al.

‘Dat vind ik ook zo mooi aan haar poëzie’, zegt haar vader als we elkaar later treffen in het Lloyd Hotel in Amsterdam. ‘Ik hou helemaal niet zo van moderne poëzie, want ik begrijp er meestal niets van. Maar bij Hagars gedichten voel ik toch precies waar het over gaat.’

Het manuscript van Malva kreeg hij pas te lezen toen het bijna af was. ‘Ik heb het enkele keren doorgenomen en een aantal opmerkingen gemaakt die Hagar vervolgens grotendeels in de wind sloeg.’

‘Je vond het te uitbundig,’ zegt Hagar, ‘en daar was ik het dan gelukkig niet mee eens.’

‘Je hebt er toch íéts in gewied? Nu vind ik het erg goed gedoseerd allemaal.’

Tussen haakjes

Nuchter als hij is, heeft hij toch een boon voor het magisch-realisme in haar boek. Hoe ze Malva, geboren met een waterhoofd, na haar dood in 1943 een stem en een pen geeft om haar vader alsnog naar zich toe te schrijven. Om zijn kind te mogen worden, en niet die ‘vampier van drie kilo, een bloedzuigster, een gedrocht’, zoals Neruda haar beschreef in een brief die hij nooit voor de openbaarheid had bestemd.

Malva stierf op haar achtste in het Nederlandse Gouda. Daar was ze naar verbannen met haar moeder, Neruda’s eerste en van Nederland afkomstige vrouw, Maria ­Antoinette Hagenaar. Koud weggezet door de man die enkele van de warmste liefdesgedichten van Latijns-Amerika op zijn naam heeft staan.

Vuijsje houdt van de spreekkoren die Malva in het hiernamaals met andere weggemoffelde kinderen aanheft: Daniel Miller (syndroom van Down, 40 jaar verzwegen door zijn vader Arthur), Lucia Joyce (schizofrene dochter van James).

‘Maar het allermooiste in Hagars boek vond ik de verbale tango in Buenos Aires’, zegt Vuijsje. ‘Je gaat er zelf bij dansen als je het leest. Ik was vaak in Zuid-Amerika. Ik versloeg er staatsgrepen en andere omwentelingen. Maar ik raakte er ook geboeid door de literatuur van Gabriel Garcia ­Márquez en anderen. Ik had nooit kunnen denken dat mijn dochter zulke verhalen zou gaan schrijven. Ben ik erg trots op, ja.’

Tussen hen in op tafel liggen twee dagboeken. Ze bevatten de aantekeningen die Vuijsje maakte van zijn omzwervingen.

Hij liet haar die dagboeken jaren geleden al lezen. Zij wilde weten wie hij was en waar hij uithing in de jaren dat hij haar verzweeg voor familie, collega’s en vrienden. ‘Hierin schreef hij vanuit de gevangenis in Bolivia waar hij zat vanwege vermeende contacten met guerrillero’s’, wijst ze naar het ene schrift. ‘En hierin beschrijft hij de begrafenis van Pablo Neruda die hij bijwoonde in 1973.’

Mild ontgoocheld stelt ze vast dat hij een derde dagboek, uit 1972, niet heeft meegebracht. Het is haar geboortejaar. ‘In dat schriftje zat ik te neuzen of er iets over mij in stond.’

Niets. Zelfs niet tussen haakjes.

Kunst of leven

In 2005 trok ze naar de plek waar hij in 1972 vertoefde: in Temuco, Chili. Neruda bracht er zijn kindertijd door. Ze ging op zoek naar de punten waar de wegen van de dichter en haar vader elkaar kruisten. En op dat kruispunt stootte ze op nog een andere, meer existentiële spiegeling tussen beide verhalen.

Peeters: ‘Een gids vertelde mij in een van de huizen waar Neruda heeft gewoond, het verhaal van Malva. Omdat hij hoorde dat ik Nederlandse was, vertelde hij er bij dat ­Malva’s graf het jaar voordien in Gouda ontdekt was. Als bij toeval op de honderdste verjaardag van haar vader. Het graf zou normaliter in 2003 geruimd zijn, als de begraafplaats niet net daarvoor geklasseerd was als monument. De gids vertelde me dat Neruda geen contact had met Malva. Terug thuis ben ik zijn memoires gaan lezen. Hij noemde haar nergens.’

Ook Malva stond niet eens tussen haakjes?

Peeters: ‘Dat was best een schok, ja. Ik kwam hier om de vader te zoeken die er in mijn kindertijd niet was en toen hoorde ik dat Neruda ook een dochter had verzwegen. Hij die bij uitstek over de niet gehoorde mens schreef, die met zijn Canto general de onderdrukte en uitgeroeide indianen een stem wilde geven. Hoe kan het dat iemand die zo maatschappelijk geëngageerd is, in zijn persoonlijke leven zo onverschillig is? Malva werd in mijn boek het vehikel voor een grotere, universele geschiedenis. Ik gaf haar een stem en ik wou er ook mijn eigen stem laten in weerklinken, en die van andere verzwegen kinderen van beroemdheden. Stuk voor stuk zeer geëngageerde schrijvers en wetenschappers.’

Neruda heeft met zijn poëzie meer mensen geholpen dan mogelijk was geweest indien hij zich enkel om Malva had bekommerd. Dat is althans de rechtvaardiging die u hem in de mond legt.

Peeters: ‘Ja, maar voldoet het als uitleg waarom hij, zoals Malva dan zegt, met zijn rug naar haar en zijn gezicht naar de wereld ging staan? Je kunt het hypocriet en egoïstisch vinden, maar tegelijk is er die vraag: kun je wel iets groots maken, kun je je wel totaal investeren in kunst of wetenschap of welke passie dan ook, zonder dat je je naasten op afstand houdt? Ik vind het een prangende vraag.’

Ze geeft haar vader een zijdelingse blik.

‘Wat vind jij daarvan, pap?’

Vuijsje: ‘Ik weet niet of die spanning – kunst of leven – zo algemeen is. Er zijn volgens mij genoeg beroemde schrijvers, kunstenaars en wetenschappers die er een normaal gezinsleven op nahouden. Het is een mooi thema en Hagar deed een geslaagde oefening om het te belichten, maar ik denk niet dat het op mij van toepassing is. Ik vind dat je onze relatie iets te fel in het licht van dat verhaal van Neruda en zijn dochter interpreteert. Dat er in die jaren geen ruimte was voor jou in mijn leven, kwam niet omdat het mijn schrijven of mijn engagement in de weg zat.’

Wat zat er dan wel in de weg?

Vuijsje: ‘Toen Hagar geboren werd, was ik nog niet toe aan het vaderschap. Er zijn nog redenen, maar die zijn te privé. Dan moet ik gaan graven in mijn relatie met haar moeder. Dat wil ik niet. Dan zou je haar stem ook moeten horen.’

Peeters: ‘Vind ik ook. (stilte) Ik ken het antwoord op die waarom-vraag. Ik weet niet of ik het bevredigend vind.’

Knisperende papieren

‘Mag ik iets zeggen?’, richt Hagar Peeters zich aarzelend tot haar vader. Ze zal het vaker doen in dit gesprek. ‘Jij mag alles zeggen’, zegt hij even vaak.

Peeters: ‘Ik ben zelf een alleenstaande moeder, ik reis nauwelijks want dat kan niet, ik heb een kind. Dat ik voor lange tijd naar Latijns-Amerika zou gaan om daar te gaan schrijven, is ondenkbaar. Jij had toch niet de journalist kunnen zijn die je bent geworden als ik vanaf het begin in je leven was geweest, toch?’

Vuijsje: ‘Misschien wel, maar op een andere manier. Misschien had je me wel zo geïnspireerd dat ik nog veel grotere meesterwerken had geschreven.’

Peeters: (lacht) ‘Dat kan nog altijd. Ik vind het wel een prachtige gedachte. Toch blijft de vraag: kunst of leven? Er zijn ook veel vrouwen die, zoals Connie Palmen, bewust kinderloos bleven voor hun schrijverschap. Ik begrijp dat. Al kan een kind ook juist erg nuttig zijn voor je schrijverschap. Een kind is terra incognita. Ik geloof dat ik door het moederschap veel beter in staat ben om wie dan ook te begrijpen. Dat is een geschenk voor een dichter.’

Keek u in uw kinderjaren op naar de vader die er niet was?

Peeters: ‘Ik herinner me dat ik vijf jaar was en op de richel boven de kachel in Amsterdam bij mijn moeder zat na te denken over mijn afwezige vader. Ik had ook wel heel veel bewondering voor hem, want ik hoorde al die verhalen van zijn reizen en in een kast lagen al zijn artikels die mijn moeder uitknipte. Ik kroop echt naar die kast, voelde aan die knisperende papieren. Ik weet nog dat ik als kind dacht: zo wil ik ook zijn, later. Maar ik hoopte wél dat ik het allebei zou kunnen, én schrijven en reizen, én er zijn voor mijn kind. In die situatie zit ik nu trouwens. Ik heb een kind, ik heb een boek en verder niets.’ (lacht)

Vuijsje: ‘Je hebt nu wel 25.000 euro (de Fintroprijs, red.).’

Peeters: ‘En een lieve vader!’

Kleine narigheden

Malva vindt in uw boek uiteindelijk ook vrede met haar vader. Hoe of waarom hij er niet was, zinkt in het niets bij wat ze ‘het allerbelangrijkste’ noemt: de bloedband.

Peeters: ‘Ik geef Neruda op het einde van het boek als het ware een herkansing als vader. Iemand vroeg me of Neruda blij zou zijn geweest met mijn boek. Ik vermoed van wel, als hij een wijs man was. Waar hij voor wegliep, is nu alsnog gebeurd in mijn fictie.’

Vuijsje: ‘Ik denk wel dat hij blij geweest zou zijn dat het eens allemaal op een rijtje werd gezet.’

Maar er blijft wel die kloof tussen de publieke held die hij was, en hoe hij vrouw en kind liet ‘verrotten in Holland, zompig, bitter oord’.

Peeters: ‘In de oorlogsjaren bracht hij ­Malva’s moeder zelfs in levensgevaar door zich actief te verzetten tegen haar terugkeer naar Chili. Dit is een roman, maar ik wil er wel even bij gezegd hebben dat wat ik schrijf over Neruda, geen fictie is. Ik haalde het allemaal uit brieven en bronnen. Hoe hij zijn eerste vrouw de mismaakte Malva verweet en zijn derde vrouw een miskraam. De ­Fundación Pablo Neruda zal er wellicht anders over denken, maar ik heb hem niet in een kwaad daglicht willen stellen. Natuurlijk zijn er die verschrikkelijke narigheden. Maar ik denk wel dat iemand zichzelf ontstijgt als hij gaat schrijven. Dat is het mysterie van de poëzie: je wordt wijzer dan je bent.’

U vindt niet dat hij een minder dichter is geworden door wat u nu weet?

Peeters: ‘Ik bewonder geen enkele dichter, ik ben er zelf één, ik zie altijd ook de menselijkheid in kunstenaars. Als je ooit een prachtig liefdesgedicht schreef, wordt dat niet onwaar omdat je intussen je vrouw hebt vermoord. Toen je dat gedicht schreef, was dat de ultieme liefde en blijft die daarom ook wáár.’

Gerrit Achterberg blijft een groot dichter?

Peeters: ‘Natuurlijk.’

Vuijsje: ‘Geldt dat dan ook voor nazikunstenaars die mooie kunst hebben gemaakt?’

Peeters: ‘Ik vind niet dat je een mens moet verengen tot een van zijn vele karaktereigenschappen. Je valt nooit volledig samen met je misstappen of zelfs misdaden. Ik schreef een boek over Gerrit De Stotteraar, honderdvoudige inbreker. Hij kreeg 25 jaar celstraf, maar in het Nederlandse strafregime van toen werd wel nog de mens achter de dader gezien.’

Herman, viel Neruda als links boeg­-beeld voor u van zijn sokkel door wat u via Hagar over hem te weten kwam?

Vuijsje: ‘Hij was voor mij geen links boegbeeld, hij was een communist en ik ben zelf altijd een fervent anticommunist geweest. Hij stond niet op een voetstuk, hij kon er dus ook niet afvallen.’

Hoe blij was u dat Hagar ook in jullie relatie een en ander ‘op een rijtje’ zette?

Vuijsje: ‘Erg blij. Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik onheus werd belicht. Ik heb wel eens tegen Hagar gezegd: luister, je hebt nu uitgebreid de moeilijke periode beschreven, maar dan moet je ook eens wat zeggen over de goede periode erna. Dat heeft ze ook gedaan.’

U laat Socrates in uw boek zeggen dat hij niets meer voor zijn kinderen had kunnen betekenen indien hij de gifbeker niet had aanvaard. Dan was hij Socrates niet meer geweest. Of hoe afwezige vaders ook verrijkend kunnen zijn?

Peeters: ‘Dat is ook zo. En ook Neruda heeft heel veel aan de wereld gegeven. Mijn vader ook, heel veel.’ (lacht)

Vuijsje: ‘Nou, zoals ik zei: 25.000 euro. Nee, serieus, ik denk wel dat ze de liefde voor het schrijverschap mee ingelepeld heeft gekregen zodra ze op haar elfde in de familie Vuijsje kwam. Dat dat mijn dividend aan haar was. Toen ik met haar om begon te gaan en toen ze op haar zeventiende bij mij kwam wonen, zag ik toch ook al die belangstelling voor het schrijven. Ik zag haar dingetjes tikken op mijn schrijfmachine en ik zag dat het mooi en bijzonder was.’

Peeters: ‘Ik schreef ook al toen ik bij mijn moeder woonde, hoor. Eerst dagboeken waarin ik grip trachtte te krijgen op die gespleten situatie van mijn moeder hier en mijn vader daar. Maar ik begon het saai te vinden om almaar die werkelijkheid te beschrijven. Dus begon ik dat in te dikken tot wat voor mij de essentie was en daar groeiden liedjes en gedichten uit nog voor ik zelfs maar van het bestaan van poëzie afwist. Natuurlijk speelde in mijn achterhoofd wel altijd mee dat mijn vader schrijver was en dat ik dat ook wilde zijn. In zijn familie was er altijd literatuur en debat. Op mijn elfde kwam ik uit Nederlands Limburg waar mijn moeder vandaan kwam uit een katholiek gezin, pats, in een superintellectueel gezin terecht.’

Vuijsje: ‘Er stond een premie op het oneens zijn met elkaar. Die gewoonte hebben Hagar en ik overgenomen.’

Peeters: ‘Wat in de duimpjescultuur van Facebook helaas niet meer in is.’

Schuldige plaatsen

Iets waarover ze grondig van mening verschillen is dit: de wijze waarop de oorlogsgeschiedenis van de joodse familie Vuijsje bepalend is geweest voor Hermans engagement en verre reizen. Een groot deel van de familie kwam om in Sobibor. Bij Herman thuis werd er niet over gesproken. Haar vader wilde de mechanismen van macht en onderdrukking begrijpen en het is volgens haar vooral dát wat hem naar Latijns-Amerika dreef. Het maakte haar begrip voor zijn afwezigheid achteraf zelfs groter.

Peeters ‘Je moest dit doen, begreep ik toen ik op die plekken kwam waar zulke vreselijke dingen gebeurd waren. Op die “schuldige plaatsen”, zoals Armando dat noemde. Ik vond het bijna mulischiaans toen ik er ook nog achterkwam dat op de dag dat Malva stierf, de eerste treinen van Auschwitz naar Sobibor begonnen te rijden. De treinen waarin een deel van mijn familie is afgevoerd.’

Vuijsje: ‘Mulisch, je zegt het. Die hield van kabbalistische toevalligheden in data en cijfers. Ik vind het larie.’

Peeters: ‘Maar Mulisch verzon van alles, bij mij is het allemaal waar. Het staat letterlijk in een van je schriftjes, hoe het regime van Pinochet je deed denken aan wat je nog wist van de nazibezetting. Wat ik eigenlijk wil zeggen, is dat ik begrijp dat je geworden bent wie je werd. Het heeft je gevormd. Ik begrijp zelfs dat de zoektocht naar drijfveren van wat in je eigen familie was gebeurd, belangrijker was dan je eigen gezin toen.’

Vuijsje: ‘Nee, dat gaat me te ver. Nogmaals, het is niet daardoor dat er in die jaren geen ruimte was voor jou in mijn leven. Ja, er zijn wellicht nog meer mensen met mijn joodse achtergrond die vanuit die oorlog op zoek gingen naar antwoorden. Maar er zijn er ook veel die keurig een gezinnetje hebben gesticht.’

Family affair

‘It’s a family affair’, sms’te een oom toen Hagar vorig weekend de Fintro Literatuurprijs won. Neef Robert Vuijsje won de Gouden Uil, voorganger van de Fintro, in 2008. En ook Marja Vuijsje, Hagars tante, haalde al eens de shortlist.

Nu Herman Vuijsje nog?

Vuijsje: ‘Ik schrijf heel andere boeken. Over de Nederlandse neiging tot conformisme bijvoorbeeld. In weerwil van de reputatie die we hebben als landje waar alles in overleg gebeurt, zijn we woestelingen die van het ene uiterste naar het andere doorslaan. Dat is de kuddegeest. In de jaren 60 en 70 hingen we allemaal het linkse politiek­correcte standpunt aan, daarna gingen we met z’n allen ook weer massaal de andere kant op. Daardoor krijg je in Nederland een schokkerige vorm van verandering.’

Hagar ziet in haar boek ook een gelijkenis tussen het non-conformisme van Neruda en het uwe. Kreeg ze dat gen zelf ook mee?

Peeters: ‘Ik weet niet wat non-conformisme is. Daarvoor ben ik gewoon te veel op mezelf.’ (lacht)

Vuijsje: ‘Je bent in die zin non-conformist dat je mijn grote belangstelling voor maatschappelijk-politieke ontwikkelingen niet hebt overgenomen. Hagar leest nauwelijks kranten. Al wijst dat misschien op conformisme, want een groot deel van de Nederlandse jeugd doet dat niet meer.’

Peeters: ‘Hèhè.’

Vuijsje: ‘O, dit mag niet?’

Peeters: ‘Mag wel, maar het doet er niet erg toe. En je zit nu voor mij antwoorden te geven.’

Vuijsje: ‘Jij hebt toch ook al heel wat over mij zitten vertellen?’

Peeters: ‘Nee, ik vróég jou dingen. Maar goed. Dat ik geen kranten lees, heeft met concentratieproblemen te maken. Het is geen desinteresse, het is gewoon dat ik te snel overvoerd ben.’

Hebt u de boeken van uw vader gelezen?

Vuijsje: ‘Alle boeken die ze voor Malva nodig had.’ (lacht)Peeters: ‘Toen ik bij mijn vader introk, had ik mezelf een soort huistaak gegeven: ik zou al zijn boeken gaan lezen in de volgorde waarin hij ze geschreven had.’

Als een soort ingangsexamen?

Peeters: ‘Ja, echt! Alsof ik dan mijn vader zou begrijpen. Ik heb er best wel wat gelezen. Pelgrim zonder God vond ik heel leuk.’

Vuijsje: ‘Daar kom je in voor. Ik maakte de tocht van Amsterdam naar Santiago de Compostela in de omgekeerde richting. ­Hagar is toen een drietal weken mee gestapt. Dus dat heeft ze gelezen.’

Peeters: ‘Die “dus” vind ik flauw.’

U begon hem op uw elfde brieven te schrijven. Waren die boos van toon?

Vuijsje: ‘Ik herinner mij geen brieven. Wel heb je mij gebeld. Je had een toespraak voorbereid en die heb je in twee delen ingesproken op mijn antwoordapparaat. Maar nee, er was geen boosheid, niet manifest althans.’

In 1983 kwam Herman opnieuw in Chili en bleef er maar nipt uit de klauwen van de junta. ‘En daarna werd hij je vader’, laat u Malva zeggen. Was hij dat voordien dan niet?

Peeters: ‘Nou, hij wou mijn vader niet zijn. Ik herinner me een telefoongesprek waarin ik zei dat ik contact wou. Jij hield dat af. “Pas als je zeventien bent”, zei je.’

Vuijsje: ‘Zo herinner ik mij dat gesprek niet meer. Het is wel zo dat meisjes met een moeilijke familiale achtergrond op die leeftijd vaker bij hun vader gaan wonen. Dat ze blijkbaar toch als ze de wereld in moeten, iets opzoeken van de vaderlijke impuls.’

Peeters: ‘O ja?’

Vuijsje: ‘Dat lees je toch vaak, ja.’

Wat gaf de doorslag om dan inderdaad bij uw vader in te trekken?

Peeters: ‘Ik vond de situatie thuis onhoudbaar. Mijn moeder had het er moeilijk mee dat mijn vader en ik een goed contact met elkaar kregen. Ook al had ze het zelf aangemoedigd. Op mijn vijfde had ze hem eens overtuigd om op mij te komen passen. Ik weet nog dat ze toen zei hoe belangrijk het is voor een kind om minstens één keer de vader gezien te hebben. Maar toen ik hem later vaker begon te zien, werd dat bedreigend. Ik begrijp haar. Tot dan was ik alleen haar kindje. Zij heeft altijd voor mij gezorgd in de vroegste jaren, die ook het zwaarst zijn. Plots kreeg ze het gevoel dat ik haar op mijn beurt een beetje wegduwde.’

‘Ik was getuige van twee parallelle maar tegenstrijdige werelden.’

Is de wonde geheeld?

Peeters: ‘Ik geloof wel dat ik vanuit die wonde ben gaan schrijven. Klinkt dramatisch, maar het is wel zo. En het schrijven van Malva is inderdaad helend geweest. Ik heb het nu echt gestalte kunnen geven. Daarom ben ik ook zo vreselijk blij dat ik die prijs gewonnen heb.’

Vuijsje: ‘Er zit een korstje op de wonde. Zoals bij mijn kleinzoon, Hagars zoon. Hij heeft een paar maanden geleden een ongeluk gehad.’

Peeters: ‘Hij is herstellende, maar hij heeft een tijdje in een rolstoel gezeten. Mijn vader heeft mij daar enorm mee geholpen. Daaruit blijkt toch ook dat… (aarzelt) Ik heb het gevoel dat het eigenlijk wel weer goed is.’

Herman, hebt u ooit spijt of schuld gevoeld?

Vuijsje: ‘Nee, dat niet. Het was mooi geweest als het anders was gelopen. We hebben naar mijn gevoel nu toch al enkele tientallen jaren een hele goede vader-kind-relatie.’

Wat als Hagar u niet had gebeld of geschreven?

Vuijsje: ‘Ik denk dat het contact er sowieso wel zou zijn gekomen.’

Peeters: ‘Had jij dan het initiatief genomen?’

Vuijsje: ‘Ik denk het wel.’

Peeters: ‘Ja?’

Ma pa ba

Op de derde verdieping van het Lloyd Hotel, in de oude bibliotheek, ontdekken vader en dochter tijdens de fotosessie een oude tikmachine met een Russisch klavier. Hagar neemt er verrukt achter plaats en test de herkenbare en nog bruikbare toetsen: P, M, A, B.

‘Genoeg voor een gedicht’, zegt ze. Haar vader scheurt een blanco blad uit een van zijn dagboeken en draait het in de machine. Hij rekt het lint wat op zodat Hagar er nog wat inkt kan uit persen. Zij tikt:

ma pa bam

ma pa ba

Na het interview klappen in Hagars hoofd nog enkele bloemen open. ‘Toen ik bij mijn vader introk, sliep ik op een matras in de kamer waar hij zat te werken. Ik viel in slaap van het getik van zijn typemachine. Daar moest ik aan denken toen Neruda schreef dat de regen het eerste personage in zijn leven was, want die kletterde altijd op het zinken dak.’

‘Dit wil ik toch ook nog zeggen, want er is wel de wonde, maar er is ook het vele moois tussen ons.’

‘Ik ben blij dat we dit gesprek samen hebben gehad’, zegt Herman.

Hij wijst naar het broodje kaas dat Hagar half opgegeten heeft laten liggen. ‘Neem je dit nog mee?’ Hij pakt het keurig voor haar in in een servetje. Liefdevol, zoals Neruda op het einde van haar boek zijn ‘prachtige dochter’ alsnog trots aan al zijn vrienden voorstelt.

Over Ann Vandamme

begeleidde al leesgroepen toen zij nog geen website had. Sinds 2007 plaatst zij alle leesgroepwerkbladen op het net. Ondertussen vist zij regelmatig werkbladen op uit haar papieren archief en zet die ook online.
Vroeger werkte zij in een boekhandel, later in een uitgeverij en sinds 2014 is zij bibliothecaris van Pepingen, in het hart van het Pajottenland. De bibliotheken van de regio Pajottenland en Zennevallei werken nauw samen, en ook de verschillende leesclubs organiseren vaak een gemeenschappelijk evenement. Het logische gevolg is dat al deze leesclubs ook op deze blog een plaats krijgen. Veel leesplezier!

Dit bericht is geplaatst in bibliotheek Dilbeek met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *